Waar mooi en lelijk hand in hand gaan

Bijgewerkt op: 15 jul.

Annemart Pilon


Beluister hier hoe Annemart haar eigen Mammoetje voorleest:


Al een paar dagen zoek ik koortsachtig naar goedkope vliegtickets naar Napels. Dat overkomt me regelmatig. De stad is niet meer mijn thuis, en dat hoeft ook niet, maar soms móet ik er gewoon naartoe.

Sinds ik dertien jaar geleden definitief terugverhuisde naar Nederland ben ik regelmatig teruggegaan, en elke keer komt alles waarvan ik dacht dat het verleden tijd was in alle hevigheid terug. Ineens praat ik druk gebarend maar loop ik langzaam, als een Italiaanse; mijn humeur gaat alle kanten op, al overheerst de weemoed; en voor ik het weet ben ik weer met iemand in een geanimeerde discussie verwikkeld over welke gefrituurde pizza nou de lekkerste is. Maar het allermeeste nog word ik bevangen door het soort dolce far niente dat ik alleen daar ervaar: ik ben op zo’n mooie plek dat alleen daar zijn al genoeg is.

Ik was achttien toen ik voor het eerst in Napels ging wonen, als au pair, en ik schreef dat de stad varieerde van de diep strelende zon tot de straffe wind die me onverwachts om deed waaien. Heel poëtisch vond ik dat toen. Maar het geeft wel aardig weer hoe het is om te leven in een stad waar niets vanzelf gaat, waar een permanente chaos heerst en bijna alles smerig of vervallen is, waar het stikt van de mensen – die voornamelijk op straat leven met al hun geuren en kleuren – en waar mooi en lelijk zich zo snel afwisselen dat het lijkt alsof de twee hand in hand gaan. Midden in het centrum zijn er oude volkswijken die nota bene tot werelderfgoed zijn bestempeld en desondanks nog altijd dezelfde volkswijken zijn, met meisjes die in donkere eenkamerwoningen leven en hun wenkbrauwen op straat epileren omdat daar wél daglicht is. In dezelfde wijken hangt in een kerk een echte Caravaggio, kun je afdalen naar het stille, ondergrondse Neapolis van de Grieken en Romeinen en zie je, als je goed kijkt, in vele palazzi nog de grandeur van vroeger, toen Napels een van dé culturele centra van Europa was en de Grand Tour hier eindigde. En vanaf de grote villa’s in de wijk Posillipo, de luxe wijk aan zee, heb je een verpletterend mooi uitzicht op de golf met de vele eilanden en met altijd de dreigende Vesuvius als ankerpunt. In welke andere Europese stad kom je zo’n combinatie nou tegen?


Het glorieuze verleden staat in schril contrast met het verval van tegenwoordig en met de reputatie die Napels nog altijd heeft als uithoek van Italië waar je nergens veilig bent, versterkt door boeken als Gomorra. Maar hoe langzaam ook, er verandert wel degelijk iets. In volkswijken die mij dertien jaar geleden door sommige vrienden werden afgeraden, worden nu culturele tours georganiseerd om te laten zien hoe de wijk dankzij burgerinitiatieven positief is veranderd. Ik zag dat sommige eettentjes zelfs een menu hebben in het Engels. Want door de donkere, smalle stegen, waar een eeuwig zoete geur hangt van vuilnis, gefrituurde aubergines en uitgehangen wasgoed, lopen nu jonge toeristen die op zoek zijn naar het Napels dat zij denken te kennen van Roberto Saviano en Elena Ferrante. Misschien zijn ze wel op Instagramtour, zodat ze precies dezelfde foto’s kunnen maken als die ze online al hebben gezien. Ze lopen van koffiebar naar koffiebar en in de stegen maken ze foto’s van de authentieke ellende van anderen. O, wat is Napels toch karakteristiek. Maar de mensen die zij fotograferen hebben geen geld om naar een meer Europese wereld te reizen.


Iedere keer als ik er weer ben lijkt de stad verder te zijn gegaan zonder mij. Buskaartjes zijn duurder, de nieuwe metrolijn is af en een van mijn favoriete eettentjes permanent gesloten. Het plein waar ik vanaf mijn kamer op uitkeek en dat in mijn tijd hét uitgaansplein van Napels was, blijkt nu alleen goed genoeg voor een handjevol vermoeide dertigers. Waar de studenten nu ’s avonds samenkomen weet ik niet – ik weet alleen dat ik niet langer deel uitmaak van het leven daar.

De bekende Napolitaanse schrijver Erri De Luca, die zijn geboortestad verruilde voor Rome, verwoordt dat teruggaan als volgt in zijn boekje Napòlide:


Wanneer ik de trein uitstap in Napels voelt het niet alsof ik weer terug ben. Ik voel me juist alleen, met een intiemer recht dan ik elders voel. Een stad vergeeft het je niet dat je haar hebt losgelaten, want dat is altijd verraad. Ik ben het met haar eens, met de stad: wie er niet was, wie er niet is geweest, is er nu ook niet, zijn recht om inwoner te zijn is verlopen.


Tijdens mijn korte bezoekjes aan de stad ga ik daarom graag naar plekken die nog precies hetzelfde zijn. Ik verken het ondergrondse Napels of ik loop naar de zee, al is het maar omdat het lawaai daar wat stiller klinkt. En nooit zal ik moe worden van het uitzicht op de golf, dat op iedere hoek van de boulevard weer anders is. In De dag voordat het geluk kwam, Erri De Luca’s novelle over een weesjongen die vlak na de Tweede Wereldoorlog opgroeit in een Napolitaanse volkswijk, lezen we:


Soms zag ik vanaf een bocht van een hooggelegen straat de golf liggen. Die leek me van een ongelooflijke schoonheid, onzichtbaar voor wie midden in de stad zat. We waren als vissen in een net met om ons heen de wijd open zee. Ik zocht de plek waar onze steeg lag maar die kon ik niet zien, de straten zaten allemaal op elkaar gepropt.



Die wijd open zee is voor mij altijd een plek om op adem te komen en alle indrukken van de stad achter me te laten. Die functie heeft de zee ook in De dag voordat het geluk kwam. Daarin loopt de weesjongen af en toe naar zee, alleen of met don Gaetano, die voor hem zorgt, hem het kaartspel scopa leert, verhalen vertelt over de stad in de oorlog en hem inwijdt in de liefde. De jongen heeft de zee nodig, het is zijn toevluchtsoord. Want de zee ‘brengt de dingen in balans’ als je gedachten ‘lawaai maken in je hoofd’.

Dit soort ideeën en taalgebruik zorgen ervoor dat dit verhaal je bijblijft. Ik vertaalde deze zomerse novelle met heel veel plezier en terwijl ik aa