top of page

Vuur / Keuzevrijheid

Tatjana Almuli


Beluister hier hoe Tatjana haar eigen Mammoetje voorleest:


In het park naast ons huis staat al een week iets in brand. Iedere dag, tijdens steeds dezelfde wandeling, inhaleer ik aangestoken hout. Toch staat er niets in de fik. Het park is niet afgebrand, de bomen staan er nog kranig en weerbaar, het gras is voor de tijd van het jaar opvallend groen, de mensen lopen rustig rond met honden, kinderen, zichzelf.

De geur herinnert me aan vroeger: er was een periode dat ik het liefst met lucifers speelde. Waarschijnlijk onbewust aangestoken door ‘Het meisje met de zwavelstokjes’ – ik vroeg telkens opnieuw aan mijn moeder dat bewuste sprookje voor te lezen. Ik zat onderuitgezakt in haar schoot, wachtend tot haar stem begon te wiebelen. Soms werd mijn nek nat omdat zij huilde.

Hoewel mijn ouders de lucifers verstopten, vond ik altijd wel zo’n langwerpig zwaluwdoosje. De eerste knetter van de lucifer op het bruine gedeelte dat steeds verder wordt aangetast, de vlam die me doet beven en toch overzichtelijk genoeg is om steeds naar terug te verlangen, de geur die vrijkomt, de kaarsen die ik aansteek en met mijn vingers een paar seconden later uitknijp om het tafereel opnieuw uit te voeren. Het gevoel van macht. Het gevoel van vuur op mijn huid.


De geur van aangestoken, vochtig hout in het park is dieper en toch minder benauwend omdat ik buiten loop. De lucht is donkergrijs, als zwarte inkt vermengd met druppels warm water. Het zal bijna donker worden, ik zal bijna terugkeren naar huis. Met mijn zware lijf, mijn blik die weinig focus kent deze maanden. Mijn ogen lijken kleiner, de blauwgrijze groeven onder mijn onderste wimpers dieper. Ik weet niet of lopen werkelijk helpt, maar het houdt me in beweging, het zorgt voor koel daglicht op mijn huid, soms een flard najaarszon. Ze zeggen dat het goed is, dat het de nog veel donkerdere wolken helpt verdrijven. Soms kun je maar beter luisteren naar wat ze zeggen.


Bij thuiskomst zie ik het woord binnenkomen op mijn telefoonschermpje. Eerder vandaag had ik iets gedeeld over mijn abortus van een paar maanden eerder. Tussen alle hartjes die tekst, zonder hoofdletter, zonder interpunctie. Enkel ‘moordenaar’. Ik klik verdoofd op de profielfoto van de afzender; een jonge jongen vult mijn beeldscherm. Hij ziet er vriendelijk uit, heeft een open blik. Er staat ‘ook volgen’ - hij volgt me dus. En hij vindt me een moordenaar. Ik sta op het punt hem een bericht te sturen of te blokkeren, ik doe geen van beide.


Ik ben geen moordenaar, zijn de eerste woorden die ik in mijn hoofd hoor wanneer ik ontwaak. Toch droomde ik vannacht van een brandstapel in het park waar ik op werd gegooid. Dat is waar heksen thuishoren, moordenaars. Ik werd wakker met zweet langs mijn slapen, een kloppend gevoel op mijn borst. Ik leg mijn handen op mijn lege buik en voel geen spijt.

Die middag ga ik een uur eerder lopen. De woorden komen niet uit mijn vingers, niet uit mijn hoofd. Ik besluit de werkdag te staken en mijn ronde te doen. Langs de basisschool – het schoolplein is leeg, op de bruin met witte konijnen na die in het wild rondscharrelen. Zij zijn er altijd. Het bruggetje over, waar de treurwilg haar lange en lage takken richting het water beweegt. Ik kies nooit bewust, maar dit is de route die ik iedere dag afleg. Keuzevrijheid kan ook benauwend zijn als je niet weet wat de juiste keuze is. Dus kies ik niet, ik laat mijn voeten leiden.

Ik loop verder, langs de bankjes, langs passanten, tot de geur van vuur weer mijn neus bereikt. Vandaag is er voor het eerst rook, ik volg de nevelige walmen die opgaan in de wederom grijzige lucht. Het is niet stil, zoals het hier andere dagen is. Vanachter het viaduct komt het zoemende geluid van kinderstemmen mijn kant op, ze buitelen over elkaar heen, die opgewonden stemmetjes. Ik loop langs het water, en aan de overkant zie ik ineens een speelplaats waar schijnbaar vuur gestookt wordt rond deze tijd van het jaar.

De stem van een begeleider: jongens, gooi de laatste takken erin, we gaan afronden. Jullie worden straks opgehaald.

Er is wat gejengel, maar ze worden rustiger. Ik blijf staan, zie hoe dikke takken de vlammen raken en neervallen in het oplaaiende vuur. Oranjerood, doorzichtig. Zoals iedere vlam, hoe groot of klein ook. En even kan ik niet anders dan verlangen daar te staan, bij de brandstapel, mijn handen warmend, mijn voeten in die harde wandelschoenen, zelfs daar doorheen iets voelen. En dan opgehaald worden. Enkel wachten tot iemands armen je net zo verwarmen als het vuur, dat langzaam dooft, en niet hoeven kiezen.

 

Tatjana Almuli (1991) werkt als freelance journalist voor onder meer het Parool, ELLE en Vogue. Daarnaast verschenen Knap voor een dik meisje (2019) en Ik zal je nooit meer (2022) bij uitgeverij Nijgh en van Ditmar. Tatjana werkt ook als freelance fotograaf en maakt samen met schrijver Malou Holshuijsen de wekelijkse podcast Tussen dertig en doodgaan.


Auteursfoto: Aline Bouma


106 weergaven