Vijf sonnetten aan Dionysus

M. J. Ris


(i)

© JONVOBI

Wij stonden in z’n keuken, hij en ik. Ik dacht al dagen lang: schrijf het vandaag. Maar alle vormen bleven voor mij vaag

waarin ik alle eenvoud gieten kon


van als hij pianospeelde en zacht zong of als hij me omarmde op z’n bank en hij me kuste, zwijgende en lang. Dus leefde ik alleen in ’t ogenblik.


Maar nu, terwijl hij gember voor me snijdt en in mijn thermos doet voor in de trein en zich de geur als stoomwolkjes verbreidt,


zie ik het licht, ontluisterd maar verguld, dat achter hem – het kon niet anders zijn – het in mij sluimerend gedicht onthult.


(ii)

Ik aarzel en spreek liever niet veel uit. Ik wil geen schepper van een wereld zijn voor iemand die, misschien, uit zicht verdwijnt. Hoe zeg je ze immers later: ‘Het is uit’?


Want in hen leeft die dode liefde nog wanneer je ze weer tegenkomt op straat en ze je vragen hoe het met jou gaat en met je vriend – je vriend, ja, vooralsnog.


Precies om deze reden was het wreed dat hij zei wat hij van Karakter vindt. Want nu hij elke zin heeft onderstreept


en elke druk zich toegeëigend heeft is er geen ruimte meer voor wat ik vind. Hij staat er in de bladspiegel geprint.


(iii)

© JONVOBI

Van ons ontmoeten heb ik dit geleerd: dezelfde stilte blijft niet. Zie: de klerk die zijn agendabladen kopieert zwijgt niet hetzelfde van en naar zijn werk.


Zie: de studente die Karakter leest. Wie weet of ons het toeval nogmaals gunt samen te reizen, zwijgend en bedeesd. En hoor: het nu nog ongeletterd kind.


’k Wist het toen hij zich haastte naar de trein zonder me dag te kussen. Het perron werd stilaan van een gepasseerd station


en ik zag dat het niet werd afgeblikt. Het harde zwijgen zei: ‘Het mocht niet zijn, verwacht niet nog een toegekust gedicht.’


(iv)

Dennis. Verdomme, ’t duurt nu al een jaar en nog ben ik niet van die waanzin af. Klaarblijkelijk is die godheid nog niet klaar met mij; gemoedsrust is er in het graf


zelfs niet, als iemand deze verzen leest. Ik geef toe: alles aan mij was intens. Het enthousiasme is te veel geweest waarmee ’k zijn naam zei; hij was maar een mens –


en toch, de verzen die ik door hem schreef verwezenlijkten hem in ander licht. Niet gek dat Laura maar op afstand bleef


en Cynthia in andermans armen lag: één blik maar onderwerpt aan het gedicht, wat is er dan nog dat een dichter vermag?

(v)

Een woord vervormt. Hij zei ‘summer fling’ en ik, ik had niet eens – ’k was onbezonnen – bedacht dat Wij in juli was begonnen. Voor mij was het tot toen een ander ding.


Net zo kun je pas na de liefde horen – de teksten naar jouw eigen beeld verminkt – hoe ieder lied jouw eigen leed bezingt, al was je daarvoor doof nog kort tevoren.


Zijn naam dan. Nooit had hij zonder mijn kennis van etymologie mij opgefuckt, zoveel is zeker. Dan was hij slechts Dennis.


Maar nu heb ik hem aangesproken – men is

te weetgraag. Hij is wat staat afgedrukt.

Met hem is wat ik wilde wel gelukt.


© JONVOBI

Voordracht Filmpjes aan Dionysus:

 

M. J. Ris (1998) studeert Griekse en Latijnse taal en cultuur in Leiden. Hij is dichter, schrijfcoach, redacteur en amateur acteur. Momenteel werkt hij mee aan het Receptions of Antiquity-project, waarvoor hij oudheidreceptie in de Nederlandse poëzie in kaart brengt.


Beeld: JONVOBI is een freelance illustrator die met verschillende kunstvormen experimenteert, zoals tatoeages, schilderkunst en print.


253 weergaven