Over het recenseren van poëzie

Bijgewerkt op: 30 mei

Simon Mulder


Beluister hier hoe Simon zijn eigen Mammoetje voorleest:


De minst interessante manier om een dichtbundel te recenseren is om hem langs het liniaal van je eigen poëtica te leggen. De lezer leert alleen maar in hoeverre het werk overeenkomt met de verwachtingen van de recensent. Het doel van de recensie is dan niet om iets te weten te komen over de inherente waarde van het besprokene; de recensie wordt een middel voor de recensent om zijn eigen standpunt uit te venten. Het besproken werk raakt ondergeschikt aan de bevestiging van het waardenstelsel en – helaas, in de meeste gevallen – aan het ego van de recensent.


De meeste recensies die ik tegenwoordig tegenkom zijn lange betogen die ook samengevat hadden kunnen worden in één zin: ‘Ik, dichter A (want men beoordeelt vaak elkanders waar) ben lid van stroming B, en dichter C, die ik hier recenseer, niet (of wel).’ Hooguit komen we er na het lezen dus achter dat een bepaalde dichter inderdaad wel of niet voldoet aan de volgens de recensent belangrijke ideologische stelregels, en dat het, in het geval van dode dichters die daar vaak per definitie niet aan voldoen, vroeger inderdaad anders was. Weinig verheffend.


De interessantste interpretatie van een gedicht is niet diegene die aantoont dat het al dan niet binnen de eigen opvatting van de recensent past, maar diegene die ons inzicht geeft. Ten eerste is dat, in het geval van dichters van vroeger, een daad van historische en sociale rechtvaardigheid. Iemand verketteren omdat die toevallig in een andere tijd of sociale context leeft of leefde, is gewoonweg oneerlijk. En ten tweede is het naar mijn mening ook stukken leuker om iets nieuws te ontdekken dan om een vooringenomen standpunt bevestigd te zien. Veel vruchtbaarder is het daarom om de dichter te beoordelen op de kwestie of zijn of haar dichtwerk voldoet aan zijn of haar eigen uitgangspunten. Menige dichter schrijft poëticale gedichten en essays over literatuur, of is zelf recensent geweest, waardoor men gemakkelijk achter deze uitgangspunten kan komen.

De meeste waarde lijkt mij te liggen in het eerst aannemen van de axioma’s die de dichter zelf gebruikt als fundament voor zijn werk. Daarna kan er gekeken worden of de dichter, naar zijn eigen standaarden gemeten, een geslaagd werk heeft gemaakt. Sommige van die axioma’s zijn tijdgebonden: die kunnen te maken hebben met bijvoorbeeld de vorm, het taalgebruik en het beoogde publiek. Misschien is de vorm uit de mode geraakt, wordt het taalgebruik tegenwoordig niet meer als courant ervaren en leeft de oorspronkelijke doelgroep niet meer. Dit mag echter geen reden zijn om het werk puur op ‘vreemdheid’ (ten opzichte van de huidige heersende esthetiek, of preciezer: de in de sociotoop van de recensent heersende esthetiek) af te keuren.

Het is bovendien een veel prettiger leeservaring om de beginselen van de betreffende dichter aan te nemen. Als je Willem Kloos leest, ga dan even mee in zijn stelling: ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’ – pas dan maakt de volta ‘En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond / Úw overdierb're leên den arm te slaan’ indruk. Laat het even varen dat rijmende gedichten uit de tijd zijn, verdiep je in de vorm en je ziet dat Kloos een meester is in de opbouw van een sonnet als ‘Avond’ (‘Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht…’). Lees je Gorter, dan ga je daarentegen niet klagen dat zijn metrum rammelt of zijn rijm eenvoudig is – hij zag zich juist genoodzaakt om de regels losser toe te passen om daadwerkelijk te kunnen zingen. De waarde van Gorter ligt elders. En lees je Bloem, Lucebert, De Coninck of Wigman, dan is er ook telkens weer een ander paradigma met andere beoordelingspunten.


Zijn er dan geen objectieve criteria? Jazeker – taalbeheersing, trefzekerheid en muzikaliteit lijken me enkele criteria waaraan geslaagde gedichten vrijwel altijd voldoen. Maar er zijn altijd uitzonderingen. Een geniale dichter kan zo briljant buiten alle regels opereren dat iets wat niet leek te kunnen, tóch kan – Gorter bijvoorbeeld – zo beweer ik in mijn recentelijk bij HetMoet uitgekomen bloemlezing uit zijn werk. Hij gebruikt een eenvoudig rijmschema, zijn metrum klopt niet en zijn beelden zijn ongebruikelijk; dit soort poëzie zou tegenwoordig direct van het bureau van de uitgever geveegd worden:


Maar groote vlambloemen gaan beginnen

in uwe handen te wieglen van minne

uw haren rijzen als een vlam,

uw wangen zijn vuurvloeiend, lichtklam

o doe in mij vergaan

dat vlammend beraan.


(‘O koele zwarte ademen van de nacht… ’

uit: Herman Gorter, Een rood lied zingt er, Uitgeverij HetMoet, 2021)


Desondanks blijven deze vuistregels meestal wel werken. Sommige dichters geven heel gemakkelijk blijk van het voldoen aan deze criteria: niemand heeft een recensent nodig om in te zien dat bovengenoemde dichters geweldig zijn.


Maar juist bij de dichters die context nodig hebben en niet automatisch klassiek zijn, is de vruchtbare benadering niet die van de recensorale knoet, maar die van de verrekijker en de microscoop. Dan kan gekeken worden of de dichter aan zijn eigen aspiraties voldoet. Vele dichters hebben hetzelfde willen doen wat Kloos, Gorter, Lucebert en De Coninck hebben gedaan – velen hebben het echter minder goed gedaan en worden niet meer gelezen.


Overigens ben ik mij er terdege van bewust dat ik nu zelf het genre van de recensie recenseer, en dus ook de intentie van de recensent moet meenemen in mijn oordeel wanneer ik een recensie lees. Dat betekent echter dat ik ervan uit ga dat het doel van de recensie is: te recenseren (analyseren, interpreteren en evalueren van een kunstwerk). Dat het niet is om iets anders te doen, zoals iemand persoonlijk aanvallen of een samenvatting geven van de eigen uitgangspunten over wat goede literatuur is. Wanneer dat wél het geval is, zou het oordeel dus weer op andere vragen gebaseerd moeten zijn: is het een terechte persoonlijke aanval, een goed stuk literatuur op zichzelf, of een interessante uiteenzetting van de poëtica van de recensent? Al is het wel flauw om niet te vermelden dat men iets een recensie noemt wat het in het geheel niet is.


Hoe het ook zij: veel interessanter dan de vraag ‘Conformeert deze dichter zich aan mijn verwachtingen van wat poëzie is, of aan de verwachtingen van de huidige smaak?’ is de vraag: ‘Is deze dichter de beste uitvoerder van zijn eigen idealen?’ Aansluitend bij de hedendaagse discussie over culturele appropriatie: als een recensent een schrijver beoordeelt volgens zijn eigen poëtica sleept hij het daar binnen waar het helemaal niet thuishoort – dan pleegt hij poëticale appropriatie.



Op 6 februari 2022 organiseert Stichting Feest der Poëzie het evenement 'Kom zijn liefste - over Herman Gorter' in de Roode Bioscoop, Amsterdam.

 

Simon Mulder is voordrachtskunstenaar, artistiek leider bij Stichting Feest der Poëzie en leraar klassieke talen op de middelbare school. Als voordrachtskunstenaar en organisator van poëzie- en muziekevenementen is hij betrokken bij voorstellingen in binnen- en buitenland. Daarnaast schrijft hij gedichten en essays en is hij is redacteur bij Armada, een tijdschrift voor wereldliteratuur, en Arabesken, het tijdschrift van het Louis Couperus Genootschap.

104 weergaven