Loslaten

Yormie Aboe Dzaki


Beluister hier hoe Yormie zijn eigen Mammoetje voorleest:


Civilization did not rise and flourish as men hammered out hunting scenes on bronze gates and whispered philosophy under the stars, with garbage as a noisome offshoot, swept away and forgotten. No, garbage rose first, inciting people to build a civilization in response, in self-defense. We had to find ways to discard our waste, to use what we couldn't discard, to reprocess what we couldn't use. Garbage pushed back. It mounted and spread. And it forced us to develop the logic and rigor that would lead to systematic investigations of reality, to science, art, music, mathematics.

— Don Delillo, Underworld, p. 287


Arme Rico Ommelaar ziet de wereld kleiner en kleiner worden. De stadse geluiden hebben plaatsgemaakt voor een stilte nog slechts verbroken door het zachthandig suizen van de wind langs zijn oren. De lucht hier bezit de ijle geur van niets. Rico Ommelaar voelt zijn bloed in zijn schouderkoppen pulseren. Hij kan zijn handen beschermen tegen de kou door ze in de zakken van zijn jas te stoppen. Zijn hoofd daarentegen blijft onbedekt en de kilte bijt in zijn wangen en oorlellen, doen deze tintelen. Hij had eens gehoord dat je je minder koud kunt voelen door aandachtig aan iets warms te denken; Rico Ommelaar heeft het koud, dus dat is wat hij doet.


Het was een zonovergoten zomermorgen en Rico Ommelaar naderde het einde van zijn eerste ophaalroute van de dag, toen hij getuige werd van hoe Samuel Verf-Uil de eerste persoon ooit werd die een stuk afval op straat gooide. De man leek zich niet meteen te realiseren wat hij had gedaan. Likkend aan de wittige laag bevroren condens op zijn vers gepelde ijsje liep hij eerst een stap of tien verder voordat hij stokte. Hij moet de ogen gezien hebben, terwijl hij langzaam omdraaide: de tientallen ogen van verbijsterde omstanders, allemaal gericht op dat kleine rood-met-blauwe wikkeltje op de grond. Hoe hun blikken het plasticje volgden, dat door zachte rukjes van de wind heen en weer wiegde; hoe het werd opgetild, heel even, en weer werd neergelaten. Ook Ommelaar staarde ernaar, vanaf de overkant van de straat, met in zijn hand de volle afvalzak, bij de nek gegrepen als een vers geplukte kip, half uit de ronde afvalbak getild. Samuel Verf-Uil – iedereen zou zijn naam uiteindelijk kennen – nam een eerste weifelende stap richting het wikkeltje, nog geen benul van wat hij zou doen mocht hij het bereiken, toen het weer werd opgetild, een moment lang in de lucht zweefde, en gewelddadig opzij getrokken werd, het struikgewas in. Weg. Het was nog geen vijftien seconden geleden gebeurd, maar het ding dat nooit eerder was gebeurd leek nu al nooit gebeurd te zijn. Omstanders begonnen weer te lopen. Samuel Verf-Uil herinnerde zich zijn waterijsje weer. En Rico Ommelaar Klemde het koord van de Zelfinflaterende Micro-Heteluchtballon® om de volle afvalzak. Met de kleine afstandsbediening die hij uit zijn gereedschapsgordel viste, beheerste hij het opstijgen van de ballon, terwijl hij het zachte gesuis van de brander hoorde en zag hoe de corpulente zak uit de cilinder werd getrokken, zoals je de opgedroogde beige kop van een oude puist uit zijn porie trekt. Daarna plaatste Rico een nieuwe zak in de afvalbak en luisterde hij naar het naderende gerommel, hoog boven zijn hoofd.

Wat later, in de kantine van de Klemmerscentrale, at Ommelaar zijn lunch en bekroop hem de drang om met zijn collega’s te delen wat hij had gezien.

‘Hij liet het gewoon… los…’

‘Weet je dat zeker?’ zei iemand.

‘Ik weet wat ik zag, oké?’

‘Die gozer had het waarschijnlijk niet eens door,’ opperde iemand anders.

‘Hij had het zeker wel door.’

‘Dus je probeert te zeggen dat deze vent, in plaats van zijn afval op de correcte wijze in de daarvoor bestemde afvalbak te deponeren, het gewoon lósliet en het op stráát eindigde?’

‘Ja. En toen waaide het weg.’

‘Kom op, Riek. Dat kan niet.’

‘Je neemt ons in de zeik.’

‘Echt niet.’

‘Ja, zie je wel, hij neemt ons in de zeik.’

‘Misschien heeft-ie een zonnesteek. Waarschijnlijk wel. Hoe voel je je, Riek? Ga anders even langs bij dokter Prokter.’

‘Ja, gebeurt wel vaker in de zomer, Rico. Zeker onder jullie nieuwelingen.’

Rico Ommelaar viel stil. Misschien hadden ze gelijk. Had hij echt gezien wat hij dacht te hebben gezien? Een zonnesteek had hij niet, nee, dat wist hij zeker, maar wat had het dan kunnen zijn? Een luchtspiegeling misschien. Als ik die man nou kon terugvinden, dacht hij. Toen ging er een bel af. De volgende dienst begon.

De middaghitte was niet te harden. Ondanks zijn dunne shirt met het Klemmerslogo op de rug en zijn korte broek glom Ommelaar van het zweet. Het periodieke gerommel van de collectevliegtuigen klonk holler en verder weg dan normaal, vervormd door de zware, bedrukkende lucht. Terwijl hij zijn kar voorttrok – aangevuld met nieuwe klemmen en ballonen en afvalzakken – liep hij van afvalbak naar afvalbak en dacht hij aan de man die had losgelaten. Stel dat het waar is, dacht hij bij zichzelf, en die man heeft inderdaad een gloednieuwe manier van afvalverwerking ontdekt. Is het dan een werkbaar alternatief? Niet voor mij, natuurlijk. Ik ben Klemmer, ik ben voor mijn werk afhankelijk van volle afvalbakken. Maar als ik dat nou niet was, wat voor reden zou ik dan hebben om het níet op die manier te doen? Het is makkelijker, ik raak mijn afval ermee kwijt, en er is meer dan genoeg straat om alle afval die ik ooit zou kunnen produceren op te deponeren. Maar wat als iedereen een gewone burger was, en geen Klemmer? Dat is in feite zo. Nou, dan zou ik ten eerste mijn baan verliezen… hoewel ik geen Klemmer ben in dit scenario, dus ik zou me, net als de rest, niet bekommeren om Klemmers. Oké, iedereen zou zijn afval op de grond deponeren, en dat zonder zoiets als het Zelfinflaterende Micro-Heteluchtballon Klem-en-Collectesysteem® om al dat afval mee te collecteren. Dan moet het toch haast wel dat alle straten op een gegeven moment vol raken… Wat dan? Nee, concludeerde Rico Ommelaar, dat zou totaal niet werken.

Met warme zweetparels op zijn voorhoofd wenste Ommelaar voor de tweede keer dat hij die man weer zou tegenkomen. Hij had hem nu immers wat duidelijk te maken. En wederom, ook voor de tweede keer die dag, vroeg Rico Ommelaar zich serieus af of hij onder de hallucinogene invloed van een zonnesteek verkeerde, want daar stónd hij, aan de overkant van de straat: de man die had losgelaten.

Ommelaar riep hem. De man draaide zich om, zag Ommelaar met opgestoken hand op hem afkomen, en zette het op een lopen. Midden op straat verstard zag Ommelaar hoe de man de hoek om rende. Hij zette de achtervolging in, rende ook de hoek om, roepend naar de figuur die bij de volgende hoek was aangekomen – duidelijk sneller en minder aangedaan door de hitte. Na een korte sprint gaf Ommelaar het op. Overweldigd en voorovergebogen hapte hij naar adem en scheidde zijn lichaam zweet uit als een fijngeknepen natte spons. Iemand vroeg of het oké ging. Nog steeds dubbelgeklapt kon hij niet veel meer dan zijn hand opsteken.

De volgende dag werd Rico Ommelaar gesommeerd om naar het kantoor van Hans Papaver te komen, de regionale manager van de Klemmerscentrale. Dat zat hem niet lekker. Niet vanwege de reden waarvoor hij moest komen – hij had geen idee wat die reden was – maar vanwege dat kantoor. Het had iets met Papavers managementstijl te maken: personeelsgericht, tot het perverse aan toe. Het begon al met de oncomfortabele plastic stoeltjes die voor het bureau stonden en bedoeld waren voor bezoekers. Zat je eenmaal in een van die stoeltjes, dan werd het je algauw duidelijk dat elke bul en trofee in de grote wandkast, net als alle andere meubelstukken, wanddecoratieven en kantoortierelantijntjes, op onverklaarbare wijze op jou gericht leken te staan. Zelfs de ingelijste foto’s van Papavers vrouw, kinderen en honden staarden je onaflatend aan. Het effect was er één van volslagen vervreemding, en het maakte niet uit in welk van de twee bezoekersstoeltjes je zat. Papaver zelf leek er daarentegen geen last van te hebben en was zelfs zo verwikkeld in het alsmaar optimaliseren van deze unheimische interieuropstelling dat Ommelaar, toen hij de deur van het kantoor opende, tegen Papavers achterhoofd aankeek. Hij zat onderuitgezakt in zo’n snoeihard kuipstoeltje documenten te lezen, terwijl hij naar de hoge rugleuning van de multi-verstelbare bruinleren directiestoel achter het burea