top of page

Iggy wie ben je

Bram de Ridder

Beeld door Valerie Granberg


Jij zit met je zonnebril op in de aanhangwagen, onrustig halflang haar op je hoofd. Alles aan jou waait als storm. Ik zie het aan de littekens, vooral op je wang, krassen op je voorhoofd ook, maar alles weer geheeld. Je bonst op de ruit van de bus en schreeuwt iets wat ik niet kan verstaan. Het is niet géén verantwoordelijkheid nemen. Het is een ander soort verantwoordelijkheid nemen. ‘Ik mag verdomme gretig in het leven staan,’ hoor ik nu. Gretig als een kind met zelfvertrouwen. Ik zie je, Iggy, en ik wil ook naar je luisteren. Je keuzes scherp als de snijtanden van een roofdier, je overgave volledig als van een gevangen prooi. Felgekleurde flarden en donker geblakerde randen. Rook en zweet en zout. Jouw verantwoordelijkheidsgevoel behelst na zes cocktails achter het stuur gaan zitten en geen ongelukken maken. Iggy je speelt gitaar, natuurlijk speel je gitaar en wie jou wil kennen krijgt liefde vol prikkeldraad. Je bent de verstoten zoon, de geslutshamede dochter. Je bent degene die zich moet verantwoorden maar die dat niet kan omdat je bent wie je bent. Naakt ook. Ik hou van je Iggy, ik wil je aan mijn borst. Bij jou zijn, gisteren en morgen, ver weg als de maan. Jij hebt steeds seks met iedereen die dat wil. Niet alleen met mijn vriendin. ‘Wie maakt mij wat?‘ Die fnuikende moraal. Zeg je. Weg ermee, zeg je. Lieve Iggy – ik vind je ook lief – wil je me helpen, me helpen te staan voor dat wat in mijn binnenste danst en woekert als verlangen, als wens, als urgentie, me helpen het leven over de longen te roken. Iggy, jij werd geboren in een ton. Een ton met roestig klinkend lawaai die in mijn ziel heen en weer rolt.

Zie ik je als ik in de spiegel kijk? Een baard van een week in drie kleuren – zwart, bruin, grijs –, een aantal huidschilfers, dunner wordend haar, dat vandaag op de een of andere manier goed valt. Mijn ogen die zichzelf terugzien, die jou ook zien, maar verpakt, een goed overhemd, een goede broek, goede schoenen, een ongeveer lekker geurtje. Onherkenbaar. Ik grimas, manoeuvreer me langzaam in mijn rol, de reistijd is nog nodig om mezelf straks te kunnen presenteren. Vriendelijk en besluitvaardig de dag doorkomen, hoofdzaken en bijzaken van elkaar onderscheiden. Die termen. Die helse begrippen. Ik poets mijn tanden. Bijna iedereen hier poetst zijn tanden. Mijn rechtgebeugelde gebit vol tandpastaschuim. Spoelen, spoelen, uitspugen. De kraan aan, alles door het afvoerputje. Ik grimas nog een keer. Ik voel toch even aan mijn kruis, Iggy. Alsof alles om seks draait, dat is niet waar, dat vind jij ook niet. Jij gooit ook een baksteen door een ruit. Bijvoorbeeld. Als dat nodig is.

De reis op de fiets naar de plek waar ik de komende acht uur ben. Achteneenhalf uur.En ik heb geen slechte baan. Geen bullshit job. Als ik mijn best doe, dat is wel het minimaal vereiste, kan ik van wezenlijke betekenis zijn voor anderen én ervoor betaald worden. Ik zou zeggen: dan heb je het in deze wereld eigenlijk verdomd goed voor elkaar. Jij lacht dit weg, zoals James Baldwin kon lachen wanneer een onwetende journalist vragen stelde. Een lach als een soevereine nee. ‘Nee, je ziet het niet. Je ziet het niet alleen verkeerd, je ziet het simpelweg níet.’ Oké, Iggy.

Door de dag heen hang ik, niet ontevreden, vastgeknijperd, als licht wapperend wasgoed aan een lijn. Ik vergader mee. Ik praat mee. Ik frons, ik stel vragen. Ik denk na. Ook worden er grapjes gemaakt. Ik laat me raken. Ik raak. Dit is echt, hoor. Deze tranen. Ik voel veel mededogen, empathie, met andere mensen. Als het lukt woorden en houdingen te geven aan onze pijn, ons verdriet, dan is er in elk geval verbinding. Iggy is er soms even niet. Misschien slaapt-ie. Het punt is: een positief waartoe heb ik niet. Daarin sta ik vaak met lege handen. Die stoppen we in onze zakken. En dan slenteren we verder. Tot Iggy uit het niets met kracht een bal gooit die je wel op móet vangen. Een grote grijns. En zo rennen we overgooiend, struikelend, stoeiend over het strand.

Het gesprek dat ik wel aan wil gaan over romantiseren, idealiseren, over rationaliteit, over grijstinten, over investeren – het lukt me niet. Terug in de koffiekamer zet ik koffie voor het hele team. Water in de kan, van de kan in het waterreservoir, filter in het filterbakje, filterkoffie in de filter, schep één twee drie vier vijf zes zeven acht. Klep dicht, knopje indrukken, rood lampje, beloftevol gegorgel. Weer worden er grapjes gemaakt, want er wordt gelachen aan de waslijn, in de andere kamer. Dun wandje en de deur staat open. Eén iemand heeft een lach waar zo veel bijgeluiden meekomen dat je er vanzelf door moet lachen. Ik schiet in de lach.



Wat gaan we doen vandaag? Tussendoor komen er natuurlijk allerlei berichten binnen, van die en die en mijn geliefde en vanavond en misschien kunnen we weer wat leuks gaan doen, dat artikel, en dat liedje en een prachtig gedicht. Ho, stop, dit is niet allemaal dezelfde lijn, we gaan niet volledig zwelgen in zwartgalligheid. Er is differentiatie. Er valt heel veel te differentiëren. Daar wil ik mijn best voor doen, dat is belangrijk in het leven. Een prachtig gedicht is heel belangrijk, Iggy. (Iggy tokkelt op zijn gitaar.)

Ik blijf bij het koffiezetapparaat staan, met mijn rug tegen het aanrecht, en besluit het gedicht met aandacht te lezen. Dit lukt. Ik ben samen met het gedicht, de rest verstomt. De bloesem is zacht en de bloesem wil troosten. Radna Fabias. Dankbaar prikken mijn ogen. Ik blijf hier tot de koffie klaar is. Om nog wat te ademen en de koffiegeur te inhaleren.

In de spreekkamer zit iemand tegenover mij. Haar ogen staan zoals de ogen van Lokita uit Tori et Lokita, een film die ik laatst zag. Gedesillusioneerd, maar toch lichten ze op wanneer er iets moois, waardevols, grappigs gebeurt. Ik luister. Ze vertelt dat ze de hele dag door schoonmaakt. Haar huis, haar kleding, zichzelf, en dat dat een goed gevoel geeft. Of vooral een slecht gevoel wanneer ze het niet doet. Iggy ruikt naar zweet. Iggy, ik ga nu niet over jou beginnen. Ze zegt dat ze behalve van schoonmaken van dansen houdt. Ik vraag haar of er een verschil is. Ze beschrijft het laatste feest waarop ze danste. Er waren muzikanten, gitaren, een contrabas, een viool en een drummer. Iedereen was in de veronderstelling dat er iets gevierd moest worden, dat ze vrij waren. Er was euforie. Ja, dat voelt ze nooit tijdens het schoonmaken. Dat is het verschil.

We plannen een volgende afspraak in. Ze zegt glimlachend gedag en dankjewel. De ruimte ruikt de rest van de dag naar zeep, constateer ik om vijf uur, wanneer ik de kopjes omspoel en de koffiefilter met koffiedik in de vuilnisbak gooi.

De avond, de stoplichten, de lantaarns, de mensen op weg naar huis. Er zijn ook zo veel mensen, Iggy, dat ik er somber van word. Schiet ze dan dood, zeg je. Iggy wil pizza en rock-’n-roll, ik maak een maaltijdsalade, ik nodig op het laatste moment mijn geliefde uit. Voor de gezelligheid en voor de seks. Ze blijkt te kunnen. Er zitten allemaal laagjes in ons contact, we kennen elkaar al best lang. Je schreeuwt nu dat ik haar eindelijk eens over je moet vertellen, dat niets zo gevaarlijk is als een gekooide tijger, dat het ontkennen van jouw aanwezigheid mijn dood betekent. Dat ik laagjes zeg waar ik bedekken bedoel, dat ik zelfs het bedekken bedek. Doe het gewoon, je hebt niets te verliezen. Jij angstvallige schoonmaker, jij barhanger! De ton rolt vol lawaai door mijn binnenste. Mijn stem trilt wanneer ik over jou spreek, over wat je allemaal wil. Soms neem je me over, raspend en warm. De blik van mijn geliefde – is ze dat nog – verandert steeds. Van angstig naar liefdevol naar gekwetst naar boos naar liefdevol. Er is veel wat schuurt. Het is de avond, de nacht. Spilzuchtig morsen we op de tafel, op de vloer, op de lakens. We dansen en we vechten, we bloeden, en laat, wanneer het bijna ochtend wordt, liggen we uitgeput in bed – jij, Iggy, tevreden snurkend met je zonnebril nog op. Je hand in mijn hand, mijn andere hand in haar hand, en haar andere hand hopelijk ook in een hand. Af en toe kijk ik naar haar: een paar keer zie ik haar met haar ogen open naar het plafond staren, op andere momenten lijkt ze te slapen. Wanneer ik de wekker wil zetten, zeg je in een soort halfslaap ‘nee’. Je zonnebril iets lager op je neus geschoven, in je vrije hand een bijl.


 

Bram de Ridder is psychiater, socioloog en schrijver. Hij publiceerde zowel fictie als non-fictie in diverse tijdschriften en dagbladen. In 2018 verscheen zijn verhalenbundel Andere Kamers (die o.a. op de longlist van de Nederlandse ANV-Debutantenprijs stond). In het voorjaar van 2024 verschijnt bij HetMoet zijn nieuwe bundel Een aangenaam zwaar hoofd.


Beeld: Valerie Granberg studeerde schilderkunst en grafiek aan de HKU. Ze behaalde haar propedeuse Kunstgeschiedenis en studeerde in 2007 (cum laude) af in de Filosofie. Tijdens haar studie begon ze met fotograferen en het maken van korte films. Sinds 2007 werkt ze als fotograaf, filosoof en filmmaker. Van haar hand is het filosofisch fotokookboek Diner Pensant en voor Kunsthal 45 in Den Helder maakte ze een eenpersoonspanorama en een cinepoem over haar moeder, Els Verleg. Bij Brams verhaal maakte ze onderstaande korte filmfragmenten, waar bovenstaande afbeeldingen uitsnedes van zijn.



200 weergaven

Comments


bottom of page