top of page

Hoe lees je een boek?

Bijgewerkt op: 1 nov. 2023

Virginia Woolf

Beeld door Louisa Albani


Dit is een vertaling van Virginia Woolfs essay 'How Should One Read a Book?' dat is gebaseerd op een lezing die Woolf heeft gegeven op de Hayes Court Common School in Kent, op 30 januari 1926. In datzelfde jaar werd het essay gepubliceerd in The Yale Review, en in 1932 werd het aangepast en opnieuw gepubliceerd in The Second Common Reader.

Smaakt dit essay naar meer? Lees dan vooral Woolfs persoonlijke essaybundel Ben ik een snob? -- verschenen op 24 oktober in vertaling van Leonoor Broeder bij HetMoet en verkrijgbaar in je favoriete boekhandel. Je kunt ook meedoen aan onze Woolf leesclubs!

 

Hoe lees je een boek? – Virginia Woolf

Vertaald door Fannah Palmer


Om te beginnen wil ik het vraagteken aan het einde van mijn titel benadrukken. Zelfs als ik deze vraag zelf zou kunnen beantwoorden is het antwoord alleen van toepassing op mij, niet op jou. In feite is het enige advies over lezen dat iemand aan een ander kan geven om niet naar advies te luisteren, om je eigen instinct te volgen, om je eigen verstand te gebruiken, om tot je eigen conclusie te komen. Pas als we het hierover eens zijn voel ik me vrij om enkele ideeën en suggesties aan te dragen, omdat je niet zult toestaan dat die je onafhankelijkheid – de belangrijkste eigenschap die een lezer maar kan hebben – beteugelen. Want wat voor wetten kunnen we vastleggen over boeken? De Slag bij Waterloo is zonder twijfel op een specifieke dag geleverd, maar is Hamlet een beter toneelstuk dan King Lear? Dat kan niemand met zekerheid zeggen. Dat moet eenieder voor zichzelf bepalen. Als we deskundigen, wat voor baarden en gewaden ze ook dragen, toegang geven tot onze bibliotheek en we ze ons laten vertellen hoe we moeten lezen, wat we moeten lezen, wat we moeten vinden van wat we lezen, vernietigen we de vrijheidsgeest waar zo’n toevluchtsoord juist op teert. Op alle andere plekken worden we misschien beperkt door wetten en conventies – maar dáár zijn er geen.

Maar om vrijheid te genieten – vergeef me de platitude – moeten we onszelf natuurlijk beheersen. We mogen onze krachten niet onbeholpen en onbezonnen verspillen en het halve huis onderspuiten om één rozenstruik water te geven; we moeten ze nauwkeurig en intensief trainen, en wel op deze plek. Dit is misschien wel een van de eerste problemen die we tegenkomen in een bibliotheek. Wat is ‘deze plek’? Misschien lijkt het wel of een bibliotheek niets meer is dan een opeenhoping en kluwen van verwarring. Gedichten en romans, geschiedenisboeken en memoires, woordenboeken en almanakken: boeken, geschreven in alle talen, door mannen en vrouwen van elke aard, afkomst en leeftijd, verdringen elkaar op de plank. En buiten balkt de ezel, staan de vrouwen bij de waterpomp te roddelen, galopperen de hengstveulens door het weiland. Waar moeten we beginnen? Hoe moeten we orde scheppen in deze pluriforme chaos en zo het diepste, breedste genot halen uit wat we lezen?

Het is makkelijk om te zeggen dat, aangezien boeken genres hebben – fictie, biografieën, poëzie – we ze moeten sorteren en uit elk genre moeten halen wat dat genre ons logischerwijs zou moeten bieden. Toch vragen maar weinig mensen aan boeken wat boeken ons kunnen bieden. Meestal komen we bij boeken aanzetten met wazige, uiteenlopende ideeën: we vragen van fictie dat ze waar is, van poëzie dat ze niet waar is, van biografieën dat ze vleiend zijn, van geschiedenisboeken dat ze onze eigen vooroordelen bevestigen. Als we al die vooringenomenheden zouden kunnen verdrijven bij het lezen, zou dat al een bewonderenswaardig begin zijn. Schrijf je auteurs niets voor; probeer hen te worden. Wees hun collega en handlanger. Als je aarzelt en terughoudend en kritisch begint, zul je nooit het meest mogelijke halen uit wat je leest. Maar als je jezelf zo veel mogelijk openstelt zullen bijna onwaarneembaar delicate aanwijzingen en hints, in de bochten en wendingen van de eerste paar zinnen, je in het gezelschap brengen van een mens als geen ander. Dompel jezelf hierin onder, raak er vertrouwd mee, en dan kom je er al snel achter dat je auteur je iets veel substantiëlers geeft of probeert te geven. De tweeëndertig hoofdstukken van een roman – als we eerst nagaan hoe je een roman leest – zijn een poging tot het creëren van iets wat even vast en gevormd is als een gebouw: maar woorden zijn ongrijpbaarder dan bakstenen, en lezen is een langer en ingewikkelder proces dan zien. Misschien is de snelste manier om te begrijpen wat een romanschrijver allemaal doet niet lezen, maar schrijven – zelf experimenteren met de problemen en perikelen van woorden. Denk dan terug aan een gebeurtenis die een heldere indruk op je heeft gemaakt – hoe je op de hoek van de straat, bijvoorbeeld, langs twee mensen liep die in gesprek waren. Een boom wiegde heen en weer, een lampje danste door de lucht, en de toon van het gesprek was komisch, maar tegelijkertijd tragisch; er leek wel een compleet beeld, een volledig concept, in dat moment besloten te liggen.

Maar wanneer je probeert dit in woorden te vatten, zul je zien dat het in duizend tegenstrijdige indrukken uiteenvalt. Sommige daarvan moeten worden onderdrukt, andere moeten worden benadrukt, en tijdens dit proces zul je waarschijnlijk alle grip op de emotie zelf verliezen. Wend je vervolgens af van je onduidelijke, bekladde bladzijden en tot de eerste bladzijden van het boek van een groot schrijver: Defoe, Austen, Hardy. Nu zul je hun meesterschap meer kunnen waarderen. We bevinden ons niet alleen in de aanwezigheid van een ander mens – Daniel Defoe, Jane Austen of Thomas Hardy –, we leven zelfs in een andere wereld. Hier, in Robinson Crusoe, sjokken we over een eenvoudige hoofdweg en gebeurt het een na het ander – de feiten en de volgorde van de feiten volstaan. Maar terwijl Defoe zoveel waarde hecht aan de vrije natuur en avontuur, doet Austen dat helemaal niet. Haar wereld is die van de zitkamer, van pratende mensen, en van het onthullen van wat hun gesprekken van hun karakter weerspiegelen. En als we, na gewend te zijn geraakt aan deze zitkamers en reflecties, onze aandacht richten op Hardy, wordt alles opnieuw overhoop gehaald. We staan op de heide en de sterren schitteren boven ons hoofd. Nu wordt de andere kant van onze geest belicht: de donkere kant die hoofdzakelijk tevoorschijn komt wanneer we alleen zijn, niet de lichte kant die voor de dag komt in gezelschap. We verhouden ons nu niet tot andere mensen, maar tot de natuur en het lot. Maar hoewel deze werelden zo van elkaar verschillen, is elke wereld op zichzelf samenhangend. De scheppers van al die werelden dragen er zorg voor dat de wetten van hun eigen perspectief worden nageleefd. En hoewel ze soms misschien een grote druk op ons leggen, brengen ze ons nooit in de war – zoals minder goede schrijvers vaak wel doen – door twee verschillende realiteiten in hetzelfde boek te introduceren. Als je dus van één groot schrijver naar een ander gaat – van Austen naar Hardy, van Thomas Love Peacock naar Anthony Trollope, van Walter Scott naar George Meredith – word je losgerukt en raak je ontworteld, word je van hot naar her geslingerd. Een roman lezen is een moeilijke, complexe kunst. Je moet niet alleen heel precies kunnen waarnemen, maar ook groots kunnen fantaseren als je gebruik wil maken van alles wat de romanschrijver – die grootse kunstenaar – je te bieden heeft.



Maar toch: één blik op het heterogene gezelschap op de boekenplank, en je ziet dat schrijvers maar heel zelden ‘grootse kunstenaars’ zijn. Het komt veel vaker voor dat een boek helemaal niet pretendeert een kunstwerk te zijn. Die biografieën en autobiografieën, bijvoorbeeld, over de levens van bijzondere mensen – mensen die allang dood en vergeten zijn – die direct naast de romans en gedichten staan: moeten we weigeren die te lezen omdat het geen ‘kunstwerken’ zijn? Of moeten we ze toch lezen, maar dan op een andere manier, met een ander doel voor ogen? Moeten we ze in de eerste plaats lezen om de nieuwsgierigheid te bevredigen die zich soms meester van ons maakt, wanneer we ’s avonds voor een huis staan waar de lichten aan zijn en de gordijnen nog niet dicht, en waar iedere verdieping ons een ander aspect van het menselijk leven laat zien? Op zulke momenten worden we overvallen door nieuwsgierigheid over de levens van deze mensen: de roddelende hulp, de dinerende heren, het meisje dat zich omkleedt voor een feestje, de oude vrouw die bij het raam zit te breien. Wie zijn ze? Wát zijn ze? Hoe heten ze, wat doen ze voor werk, wat denken en beleven ze allemaal?

Biografieën en memoires beantwoorden zulke vragen, verlichten ontelbare van dat soort huizen. Ze laten ons mensen zien die hun dagelijks leven leiden en zwoegen, falen, slagen, eten, haten, liefhebben, tot ze sterven. En soms verdwijnt het huis en lost het tuinhek op terwijl we ernaar kijken, en bevinden we ons ineens op zee; zijn we op jacht, aan het zeilen, in een gevecht verwikkeld; bevinden we ons onder barbaren en soldaten; of nemen we deel aan grootste expedities. En als we liever hier in Engeland blijven, in Londen, verandert de omgeving ook: de straat wordt smaller en het huis verkleint en vernauwt, het krijgt geruite ramen en begint te stinken. We zien dat een dichter, Donne, uit zo’n huis wordt gedreven omdat de muren zo dun waren dat de stemmen van de kinderen erdoorheen klonken als ze moesten huilen. Via de paden op de bladzijden van boeken kunnen we hem volgen naar Twickenham; naar Lady Bedfords Park, een beroemde ontmoetingsplaats voor edelen en dichters[2]; vervolgens lopen we in de richting van Wilton, het landhuis aan de voet van de heuvel, en horen we Sidney de Arcadia aan zijn zus voorlezen[3]; en dan wandelen we door precies hetzelfde drasland en zien we precies dezelfde reigers die in zijn beroemde roman voorkomen; en daarna reizen we weer naar het noorden met die andere Lady Pembroke, Anne Clifford, naar haar wilde heide, of duiken we de stad in en proberen we onze vreugde te onderdrukken wanneer we Gabriel Harvey[4] in zijn zwarte fluwelen pak over poëzie zien ruziën met Spenser. Niets is fascinerender dan tasten in en struikelen door de alternatieve duisternis en pracht van het elizabethaanse Londen. Maar daar kun je onmogelijk blijven. De Temples, Swifts, Harleys en St. Johns gebaren dat we verder moeten. We kunnen wel uren besteden aan het ontrafelen van hun geschillen en het ontcijferen van hun personages, en wanneer we hen beu zijn wandelen we verder, langs een vrouw in het zwart met diamanten om haar nek, naar Samuel Johnson en Goldsmith en Garrick; of we steken het Kanaal over, als we willen, om Voltaire, Diderot en Madame du Deffand[5] te ontmoeten; en daarna keren we weer terug naar Engeland, naar Twickenham – sommige plekken herhalen zichzelf, en sommige namen ook – waar Lady Bedfords Park ooit was en waar Pope later woonde, en naar het huis van Walpole, Strawberry Hill. Maar Walpole laat ons kennismaken met zo’n zwerm nieuwe mensen en er zijn zo veel huizen om te bezoeken en bij aan te bellen dat we misschien even stil moeten staan, op de drempel van Miss Berry’s huis, bijvoorbeeld – en ziedaar, Thackeray[6] komt aangelopen: hij is bevriend met de vrouw van wie Walpole hield. Zo, simpelweg door van vriend naar vriend te gaan, van tuin naar tuin en van huis naar huis, belanden we van het ene uiteinde van de Engelse literatuur bij het andere en ontdekken we bij het ontwaken dat we weer hier zijn, in het heden, als we dit moment tenminste op die manier kunnen onderscheiden van alle momenten ervoor. Dit is dus een van de manieren waarop we deze levens en brieven kunnen lezen: we kunnen ze de vele ramen van het verleden laten verlichten, we kunnen beroemde doden in hun vertrouwde omgeving bekijken en ons af en toe inbeelden dat we heel dichtbij zitten en hun geheimen kunnen achterhalen, en soms halen we misschien een toneelstuk of een gedicht tevoorschijn dat zij hebben geschreven en kijken we of het anders leest in het bijzijn van de auteur. Maar dit roept weer andere vragen op. We moeten ons afvragen in hoeverre een boek wordt beïnvloed door het leven van de schrijver – in hoeverre is het veilig om de schrijver te interpreteren aan de hand van de persoon? In hoeverre moeten we weerstand bieden tegen, of juist ruimte geven aan, de compassie of de afkeer die de persoon zelf in ons opwekt – omdat woorden zo gevoelig zijn, en zo vatbaar voor het karakter van de auteur? Deze vragen dringen zich aan ons op wanneer we levens en brieven lezen, en we moeten ze zelf beantwoorden, want niets is catastrofaler dan je bij zo’n persoonlijke kwestie laten leiden door de voorkeuren van iemand anders.

Maar we kunnen zulke boeken ook met een ander doel lezen: niet om licht te werpen op de literatuur, niet om bekend te raken met beroemde mensen, maar om onze eigen creatieve vaardigheden op te frissen en te beoefenen. Is er rechts van de boekenkast geen open raam? Wat is het heerlijk om even te stoppen met lezen en naar buiten te kijken! Wat is het uitzicht stimulerend in zijn onbewustheid, zo irrelevant, en continu in beweging – de hengstveulens die door het weiland galopperen, de vrouw die haar emmer vult bij de waterput, de ezel die zijn hoofd in zijn nek gooit en zijn lange, bittere gebalk laat horen. Het grootste deel van elke bibliotheek bestaat uit niets dan verslagen van zulke vluchtige momenten in de levens van mannen, vrouwen en ezels. Alle literatuur heeft, naarmate ze ouder wordt, een puinstapel: beschrijvingen van vervlogen momenten en vergeten levens, verteld in beverige, broze accenten die niet meer bestaan. Maar als je jezelf overgeeft aan het genot van puin-lezen, zul je nog verrast worden – zul je zelfs overweldigd worden – door de relieken van menselijke levens die tot gruis zijn geslagen. Misschien is het maar een enkele brief – maar wat toont die een prachtig beeld! Misschien zijn het maar een paar zinnen – maar wat schetsen die prachtige uitzichten! Soms ontstaat er een heel verhaal, met zo’n prachtig gevoel voor humor en medeleven en volledigheid dat het wel lijkt of het afkomstig is van een groot romanschrijver – maar het is Tate Wilkinson maar, een oude acteur, die zich het vreemde verhaal van kapitein Jones herinnert; of het is maar een jonge officier die onder Arthur Wellesley dient en verliefd wordt op een mooi meisje in Lissabon; of het is Maria Allen maar, die haar handwerkje laat vallen in de lege zitkamer en zuchtend wenst dat ze dokter Burneys goede advies had opgevolgd en nooit in het geheim met haar Rishy was getrouwd.[7] Niets hiervan is van enkele waarde, het is allemaal compleet verwaarloosbaar, maar toch is het soms zo intrigerend om door de puinhopen te graven en ringen, scharen en gebroken neuzen te vinden in dat enorme verleden, en om te proberen er een samenhangend geheel van te maken terwijl het hengstveulen door het weiland galoppeert, de vrouw haar emmer vult bij de waterput en de ezel balkt.



Maar op den duur worden we moe van het puin-lezen. Dat hebben we geen zin meer om te zoeken naar wat er nodig is om die halve waarheid aan te vullen – want dat is alles wat de Wilkinsons, de Bunbury’s[8] en de Maria Allens ons kunnen bieden. Ze bezaten niet het talent van een kunstenaar, van beheersing en weglating; zelfs over hun eigen leven konden ze niet eens de hele waarheid vertellen; ze hebben het verhaal, dat zo sierlijk had kunnen zijn, misvormd. Ze kunnen ons niets dan feiten bieden, en feiten zijn een zeer ondergeschikt soort fictie. Dus willen we langzamerhand klaar zijn met halve beweringen en schattingen; we willen niet langer de subtiele nuances van mensen en hun persoonlijkheden opzoeken, maar genieten van de grotere abstractie en de puurdere waarheid van fictie. Dus creëren we een intense, gegeneraliseerde sfeer, een die zich niet bewust is van details maar wordt benadrukt door een regelmatige, zich herhalende puls die zich het natuurlijkst laat uitdrukken in poëzie – en dan is het tijd om poëzie te lezen… wanneer we bijna in staat zijn haar zelf te schrijven.


Westenwind, wanneer zult u waaien?

En regen, regen maar neer.

God, ’k wou dat mijn lief in mijn armen lag,

En ik in mijn bed alweer![9]


Het effect van poëzie is zo krachtig en direct dat er even geen andere sensatie bestaat dan die van het gedicht zelf. Wat gaan we dan ver de diepte in – wat is onze onderdompeling abrupt en volledig! Er is hier niets om ons aan vast te houden, niets wat onze val tegenhoudt. De illusie van fictie is geleidelijk, de effecten ervan zijn voorbedacht; maar wie leest deze vier regels en staat stil bij de vraag wie ze geschreven heeft, wie beeldt zich het huis van Donne of het bureau van Sidney in, wie verstrikt hen in het ingewikkelde verleden en in de opeenvolging van generaties? Een dichter is altijd onze tijdgenoot. Heel even wordt ons zelf in het middelpunt geplaatst en ingeperkt, zoals bij elke hevige schok van persoonlijke emoties. Daarna begint de sensatie zich inderdaad als steeds groter wordende ringen door ons hoofd te verspreiden en bereikt ze ook de verafgelegen emoties, die vervolgens geluid beginnen te maken en commentaar beginnen te leveren, en dan worden we ons bewust van echo’s en weerspiegelingen. De intensiteit van poëzie bestrijkt een breed scala aan gevoelens. We hoeven enkel de kracht en directheid van


Ik zal vallen als een boom en vind mijn graf,

Enkel nog denkend aan mijn grief[10]


te vergelijken met de dralende bochten van


Minuten zijn geteld door vallend zand

Als door een uurglas; het tijdbestek

Drijft ons naar het graf, en wij bezien het;

Een tijdperk van genot keert, genoten,

Ten slotte terug en eindigt in verdriet; maar het leven

Is het rellen zat en nummert elke korrel,

Jamm’rend en zuchtend tot de laatste drup,

Om ellende te laten eindigen in vrede,[11]


of de meditatieve kalmte van


dat geldt voor jong en oud.

Onze aard, onze bestemming en ons huis

zijn in de oneindigheid, en daar alleen –

zijn in de hoop, een hoop die nooit kan sterven,

in inspanning, verwachting en verlangen,

in iets wat steeds op ’t punt staat er te zijn.[12]


naast de volledige en onuitputtelijke lieflijkheid te leggen van


Steeds klom de maan de hemel in

En zocht maar naar haar stee;

Ze klom heel stilletjes omhoog

Met nog een ster of twee[13]


– of naast de schitterende fantasie van


En de dwaler in het woud

Wiens geslenter nooit ophoudt

Ziet onder in ’n veld geflonker

In de grote brand der aard

Lijkt een vlam die zacht omslaat

Zoals hij die ontwaart,

Op ’n krokus in het donker[14]

om te bedenken hoe gevarieerd de talenten van dichters zijn. Ze bezitten de kracht om tegelijkertijd spelers en toeschouwers van ons te maken; de kracht om personages te belichamen alsof die hen op het lijf zijn geschreven, en zo Falstaff of Lear te zijn; de kracht om te condenseren, te verruimen, iets uit te drukken – voor eens en altijd.

‘We hoeven enkel (…) te vergelijken’ – met die woorden is de aap uit de mouw en hebben we de werkelijke complexiteit van lezen erkend. Het eerste deel – het krijgen van indrukken, met het grootst mogelijke begrip – is maar het halve werk van lezen: als we al het genot uit een boek willen halen moet dit proces worden aangevuld met een ander. We moeten een oordeel vellen over die talrijke indrukken, en we moeten die vluchtige vormen omtoveren tot iets vasts en blijvends. Maar niet meteen. Wacht tot het stof van het lezen is neergedaald, tot het conflict en de vragen zijn weggeëbd: wandel, klets, pluk de dode bloembladeren van een roos, of val in slaap. Dan, ineens, zonder dat we het willen – want zo maakt de natuur zulke overgangen – keert het boek weer terug, maar op een andere manier. Het komt als geheel in je gedachten bovendrijven. En het boek als geheel is anders dan het boek dat je in het moment in afzonderlijke zinnen tot je neemt. Nu vallen er details op hun plek. We zien de gehele vorm, van begin tot eind: het is een schuur, een varkensstal of een kathedraal. Nu kunnen we het boek dus met andere boeken vergelijken zoals we ook gebouwen met andere gebouwen vergelijken. Maar dit vergelijken betekent dat onze houding is veranderd: we zijn niet langer bevriend met de auteur, we zijn juryleden geworden. En net zoals er voor vrienden niet zoiets bestaat als té sympathiek zijn, kunnen we als juryleden ook niet té streng zijn. Want zijn boeken die onze tijd en compassie verspillen niet misdadig? Zijn dat niet de onbetrouwbaarste vijanden van de samenleving, corrupten, bezoedelaars: de schrijvers van nepboeken, boeken die alleen maar dood en verderf zaaien? Laten we dus streng zijn in ons oordeel, laten we elk boek vergelijken met het beste boek van zijn soort. In onze gedachten zweven de vormen rond van boeken die we hebben gelezen, die structuur hebben gekregen door onze beoordelingen ervan: Robinson Crusoe, Emma, The Return of the Native.[15] Vergelijk romans daarmee: zelfs de nieuwste en minste roman verdient het om met de beste te worden vergeleken. Hetzelfde geldt voor poëzie: wanneer de bedwelming van het ritme is weggeëbd en de pracht van de woorden is vervaagd, keert er een vorm terug in onze gedachten die moet worden vergeleken met Lear, met Phaedra,[16] met de Prelude – of, als je hem daar niet mee vergelijkt, dan met wat het beste is of wat wij het beste vinden van zijn soort. En we mogen er zeker van zijn dat de nieuwigheid van nieuwe poëzie en fictie hun oppervlakkigste kenmerk is en dat we de maatstaven op basis waarvan we de oude werken hebben beoordeeld niet hoeven te herformuleren, maar alleen maar een beetje hoeven aan te passen.


Het zou dus dom zijn om te doen alsof het tweede onderdeel van lezen, het vellen van een oordeel, even simpel is als het eerste – onszelf wijd openstellen voor de snelle stroom van ontelbare indrukken. Om verder te gaan met lezen zonder het boek voor je neus, om één schaduwbeeld naast een ander te leggen, om genoeg te hebben gelezen en er genoeg van te hebben begrepen om zulke vergelijkingen levendig en verhelderend te maken – dat is moeilijk, en het is nóg moeilijker om verder te gaan en te zeggen: ‘Het boek behoort niet alleen tot deze soort, maar het is ook van deze waarde; hier schiet het tekort, hier slaagt het; dit is slecht, dat is goed.’ Om dit deel van je lezersplicht te kunnen vervullen heb je zo veel verbeeldingskracht, inzicht en kennis nodig dat het moeilijk is om je voor te stellen dat één enkel brein er begaafd genoeg voor zou kunnen zijn – zelfs voor de meest zelfverzekerde mensen is het onmogelijk om meer dan alleen kiemen van die capaciteiten in zichzelf te vinden. Zou het dan niet slimmer zijn om af te zien van dit deel van het lezen en om de critici, die bibliotheekdeskundigen met gewaden en baarden, voor ons te laten beslissen wat de absolute waarde van het boek is? Maar dat is toch onmogelijk! We kunnen het belang van compassie benadrukken, we kunnen proberen onszelf helemaal te verliezen tijdens het lezen. Maar we weten dat we niet compleet kunnen meevoelen en dat we ons niet compleet kunnen onderdompelen: er zit altijd een duiveltje in ons dat fluistert: ‘Ik haat… Ik houd van…’, en we kunnen hem niet stil krijgen. En ja, het komt juist precies door dat haten en houden van dat we zó’n intieme relatie hebben met de dichters en romanschrijvers dat we de aanwezigheid van een ander niet kunnen verdragen. En zelfs als het resultaat afgrijselijk is en onze beoordeling niet klopt, dan nog is onze smaak, die gevoelszenuw die schokken door ons heen laat gaan, onze voornaamste lichtbron: we leren door te voelen, we kunnen onze eigenzinnigheid niet onderdrukken zonder die ook te verarmen. Maar na verloop van tijd kunnen we onze smaak misschien trainen; misschien kunnen we er wat controle over uitoefenen. Wanneer onze smaak zich gretig en rijkelijk heeft gelaafd aan allerlei soorten boeken – dichtbundels, romans, geschiedboeken, biografieën – en vervolgens is gestopt met lezen en lange tijd heeft gekeken naar de diversiteit en ongerijmdheid van het leven, zien we dat hij langzaamaan verandert: hij is niet zo gretig meer, hij is beschouwender. Hij zal niet alleen beginnen ons oordelen te geven over specifieke boeken, maar hij zal ons ook vertellen dat bepaalde boeken gemeenschappelijke kenmerken hebben. Luister, zegt onze smaak, hoe zullen we dít eens noemen? En dan leest hij ons misschien voor uit Lear en daarna uit Agamemnon[17] om die gemeenschappelijke kenmerken te onthullen. Begeleid door onze smaak zullen we dus verder kijken dan één specifiek boek en op zoek gaan naar kenmerken die verschillende boeken met elkaar verbinden. Die geven we namen, en zo creëren we een regel die onze waarnemingen op orde brengt. En uit zulke onderscheidingen zullen we nog meer genot, een zeldzamer genot halen. Maar aangezien een regel alleen geldt wanneer die continu wordt gebroken door contact te maken met de boeken zelf – niets is makkelijker en tegelijkertijd beperkender dan regels bedenken die niets te maken hebben met feiten, in een vacuüm dus – is het nu misschien eindelijk een goed idee om ons te wenden tot de zeer zeldzame schrijvers die ons iets kunnen vertellen over literatuur als kunstvorm, zodat we onszelf kunnen stabiliseren tijdens deze moeilijke onderneming. De weloverwogen kritiek van Coleridge en Dryden en Johnson, en de weloverwogen uitspraken van dichters en romanschrijvers zelf, zijn vaak verrassend relevant: ze verhelderen en verstevigen de vage ideeën die in de nevelige diepten van ons hoofd hebben rondgetold. Maar zij kunnen ons alleen helpen als we ze benaderen met een heleboel vragen en suggesties die eerlijk in ons zijn opgekomen tijdens ons eigen lezen. Ze kunnen niets voor ons betekenen als we ons onder hun gezag scharen en als schapen in de schaduw van een heg gaan liggen. We kunnen hun uitspraken alleen begrijpen wanneer ze tegen die van onszelf indruisen en die weerleggen.

Als dat waar is, als het lezen van een boek zoals het gelezen hoort te worden vraagt om van die zeldzame kwaliteiten – verbeeldingskracht, inzicht en kritisch vermogen –, kom je misschien tot de conclusie dat literatuur een erg ingewikkelde kunstvorm is en dat het onwaarschijnlijk is dat we ooit, zelfs na een leven lang te hebben gelezen, in staat zullen zijn om ook maar één waardevolle bijdrage te leveren aan de literaire kritiek. We zullen lezers moeten blijven; we zullen niet de grotere eer genieten die is weggelegd voor van die zeldzame wezens die ook critici zijn. Maar toch hebben we als lezers ook verantwoordelijkheden en zijn we zelfs belangrijk. De normen die wij bepalen en de oordelen die we vellen glippen de lucht in en worden onderdeel van de atmosfeer die schrijvers inademen als ze aan het werk zijn. Er wordt een invloed gecreëerd die op hen inwerkt, ook al wordt die nooit gepubliceerd. En die invloed, mits die goed onderbouwd, krachtig, persoonlijk en oprecht is, is nu misschien wel heel waardevol, aangezien de literaire kritiek op dit moment noodzakelijkerwijs is opgeschort: nu passeren boeken de revue als een stoet van dieren op een schietbaan, en critici hebben maar één seconde om hun geweer te laden en te richten en te schieten en moeten dan wel worden vergeven als ze konijntjes voor tijgers aanzien, of adelaars voor boerderijkippen, of als ze hun doel helemaal missen en hun schot verspillen aan een of andere vredige koe die verderop in een wei staat te grazen. Als auteurs het gevoel zouden hebben dat er naast de grillige fusillade van de pers nog een ander soort kritiek is, namelijk de mening van mensen die lezen omdat ze van lezen houden, en die dat langzaam en onprofessioneel doen, en die het werk compassievol maar tegelijkertijd heel streng beoordelen – zou hun werk daar niet beter van worden? En als boeken dankzij ons sterker, rijkeren gevarieerder zouden worden, is dat toch zeker een doel dat het bereiken waard is.

Maar wie leest er nu om een doel te behalen, hoe wenselijk ook? Doen we sommige dingen niet gewoon omdat ze op zichzelf goed zijn, en zijn sommige genietingen niet gewoon een doel op zich? En is dit er niet één van? Ik heb tenminste weleens gedroomd dat, als de dag des oordeels aanbreekt en de grote veroveraars en advocaten en staatsmannen hun beloningen in ontvangst komen nemen – hun kronen, hun lauwerkransen, hun namen die onuitwisbaar in onvergankelijk marmer zijn gegrift – de Almachtige zich tot Petrus zal wenden en, niet zonder enige jaloezie wanneer hij ons met onze boeken onder de arm ziet, zal zeggen: ‘Kijk, zij hebben geen beloning nodig. We hebben hier niets om ze te geven. Zij hielden van lezen.’


Noten [2] Een verwijzing naar Lucy Russell, de gravin van Bedford (1580-1627) en een beschermvrouw van de kunsten. Haar grote landgoed, Twickenham Park, was een ontmoetingsplaats voor zowel dichters als edelen. [3] Sir Philip Sidney (1554-1586) schreef The Countess of Pembroke’s Arcadia terwijl hij bij zijn zus Mary, de gravin van Pembroke, in het Wilton House in Wiltshire verbleef, rond 1577-1580. [4] Hier verwijst ze naar Lady Anne Clifford (1590-1676), de gravin van Dorset, Pembroke en Montgomery, dagboekschrijver en beschermvrouw van de literatuur; en naar de schrijver Gabriel Harvey (c.1552-1631). [5] Een verwijzing naar de Franse beschermvrouw van de kunsten, Marie Anne de Vichy-Chamrond (1696-1780). [6] Een verwijzing naar schrijfster Mary Berry (1763-1852) en haar zus Agnes, die werden beschouwd als goede kennissen van de schrijver Horace Walpole (1717-1797) en uiteindelijk zijn literaire collectie erfden. [7] Hier verwijst Woolf naar de acteur Tate Wilkinson (1739-1803); Christopher Jones (c.1570-1622), de kapitein van de reis van de Mayflower in 1620; de eerste graaf van Wellington, Arthur Wellesley (1769-1852); en naar drie mensen die worden genoemd in het werk van schrijfster Fanny Burney (1752-1840). [8] Een verwijzing naar de productieve schrijfster Selina Bunbury (1802-1882). [9] Een vroeg zestiende-eeuws lied, waarvan wordt gedacht dat het een fragment is uit een middeleeuws gedicht. (Vertaling Fannah Palmer.) [10] Uit The Maid’s Tragedy (1717) door Francis Beaumont (1584-1616) en John Fletcher (1579-1625). (Vertaling Fannah Palmer.) [11] Uit The Lover’s Melancholy (1629) door John Ford (1586-c.1639). (Vertaling Fannah Palmer en Isa Altink.) [12] Uit Prelude (Zesde boek) door William Wordsworth (1770-1850). Vertaald door Jan Kuijper. Athenaeum (Polak & Van Gennep), 2020. [13] Uit Het gedicht van de oude zeeman. Vertaald door Jabik Veenbaas. In Wordsworth en Coleridge, Lyrische balladen. Athenaeum (Polak & Van Gennep), 2011. [14] Uit ‘When the World Is Burning’ door Ebenezer Jones (1820-1860). [15] De roman uit 1878 van Thomas Hardy (1840-1928). [16] Het toneelstuk uit 1677 van Jean Racine (1639-1699). [17] Het eerste deel van de Orestie-trilogie van Aischylos (c.525-c.456 v.C.).

 

Virginia Woolf (1882-1941) was een Britse schrijfster en feministe. In 1905 maakte ze van schrijven haar beroep. Tijdens het interbellum speelde Woolf een belangrijke rol in het literaire leven van Londen en behaalde ze succes als schrijfster. Ze behoorde tot de Bloomsbury groep, een intellectuele en artistieke kring vernoemd naar de buurt in Londen waar ze woonde. Woolf wordt beschouwd als een van de grootste en meest vernieuwende Engelse schrijvers van de twintigste eeuw. Ze publiceerde romans en essays, en had zowel bij de literaire critici als het grote publiek succes. Veel van haar werk gaf ze zelf uit via de Hogarth Press.


Beeld: Louisa Amelia Albani is kunstenaar, onderwijzer en uitgever van de kleine, onafhankelijke uitgeverij Night Bird Press. De afbeeldingen bij dit essay zijn afkomstig uit haar pamflet A Moment in the Life of Virginia Woolf, een visuele voorstelling van het 'moment' op een zomermiddag op Tavistock Square in Londen, 1925, dat Virginia Woolf haar meesterwerk To The Lighthouse 'bedacht'. Albani maakt hiervoor gebruik van Woolfs eigen woorden uit brieven, dagboeken en fragmenten uit de roman.


Vertaling: Fannah Palmer.


Lees meer over de Woolf leesclubs.

113 weergaven

Comments


bottom of page