top of page

Het matras dat leeft

Bijgewerkt op: 6 feb. 2023

Trivo Marjanovic


Trivo Marjanovic is een van de eerste ‘gildegezellen’ van De Baaierd, een reizende broedplaats voor Zeeuwse schrijvers. Dankzij zijn vlotte en originele schrijfstijl werd hij door de jury van De Baaierd gekozen als beloftevolle beginnende schrijver. In het kader van het Baaierdgilde werd Marjanovic begeleid door ‘gildemeester’ Jelte Nieuwenhuis.

Marjanovic publiceerde eerder in het tweede nummer van tijdschrift De Baaierd, uitgegeven door uitgeverij HetMoet. Zijn debuutroman-in-wording heeft de voorlopige titel The Rise of Trivonius Rex.

- Joyce Pijnenburg, oprichter en hoofdredacteur van De Baaierd

 

Er leeft iets in mijn matras. Ik weet het al een paar dagen, maar koos ervoor het zo lang mogelijk te negeren. Nu mijn celgenoten naar de recreatieruimte zijn heb ik eindelijk de kans om het uit te zoeken. Ik haal de hoes van mijn matras en zie een tiental kleine zwarte stipjes bewegen in de minuscule gaten van het naar zweet en dood vlees stinkende, ondefinieerbare gele schuim waarvan mijn matras gemaakt is.

Waarschijnlijk is het mijn eigen schuld dat ik een paradijs heb gecreëerd voor deze beestjes. Ik had wat vaker mijn hoeslaken kunnen wassen. Daarvan heb ik echter nooit de noodzaak ingezien, tot dit moment, en motivatie om ook maar iets nuttigs te doen simpelweg omdat het zo hoort of moet heb ik vanaf mijn geboorte al niet.

Ik ben geboren in een nuttig gezin, in een nuttige stad, in een nuttige provincie, in een nuttig land, waar iedereen doet wat hoort en braaf is. Ik doe niet mee. Ik weiger, en daarom zit ik hier.

Ik doe snel de hoes weer om mijn matras en ga er weer op liggen. Kutzooi, dit kan ik er echt niet bij gebruiken. Als de cipier straks komt ga ik hem vragen of ik een nieuw matras kan krijgen.


Naast heel veel slapen en drugs gebruiken is er maar één ding dat ik hier graag doe, en dat is lezen. Mijn ouders hebben een paar boeken van Tolstoj en Dostojevski naar me opgestuurd. Ik ben nu voor de tweede keer bezig met Oorlog en vrede. Toen ik nog jong was zag ik het altijd in de bibliotheek staan, en ik was altijd geïntimideerd door de vele pagina’s en de reputatie van het boek. Ik had nooit het geduld om eraan te beginnen.

Maar als er een tijd is, is het wel nu, hier, op dit Caribische eiland vlakbij Venezuela in de bak, een plek leeg van alles wat je op intellectueel vlak ook maar enigszins uit zou kunnen dagen. Tussen de junkies, de drugskoeriers, de fraudeurs, de verkrachters, de pedofielen, de draaideurcriminelen, de zwartwerkers, de moordenaars en de belastingontduikers. Hier, waar het leven alleen maar draait om niet gillend gek worden van verveling in de snikhete zon. Waar het altijd zomer is maar je nooit naar het strand kunt gaan, terwijl de zee altijd hoorbaar is op de achtergrond.

Het enige lastige aan het lezen van het magnum opus van Tolstoj is dat er veel passages in het Frans in staan en dat spreek of lees ik niet. Voor de rest is het een prachtboek. Napoleon is een maniak met grootheidswaanzin die ervan uitgaat dat mensen hun leven willen opofferen, enkel voor een oogopslag van de leider. En dat gebeurt ook werkelijk, als een deel van het Poolse legioen ervoor kiest om niet de brug te nemen, maar het water te trotseren door in vol ornaat in de sterke stroming te springen en naar de overkant te zwemmen. Een paar soldaten sterven tijdens hun poging, maar dit alles is de moeite waard, omdat Napoleon hen mogelijk vanaf een grote afstand gezien zou kunnen hebben. Het is zelfs nog steeds de moeite waard geweest als ze, eenmaal aangekomen, hoopvol in de richting van de leider en zijn paard kijken, maar hem niet meer zien staan. Hij wás daar, en al was het maar voor heel even, hij heeft aan ons gedacht.

Een andere hoofdpersoon in het boek heeft juist nooit het gevoel dat hij werkelijk daar is waar iets belangwekkends plaatsvindt, hoewel hij bij een van de belangrijkste slagvelden in de oorlog met Frankrijk aanwezig is. Hij is dus letterlijk waar alles gebeurt, maar omdat hij zichzelf zo weinig vindt voorstellen kan niets wat hij meemaakt van enige waarde zijn.

Ergens anders is het leven altijd veel boeiender. Dat geldt zeker voor mijn situatie. Ik heb net geprobeerd spinnenweb te roken. Dat zou je een speciale high geven, maar het enige wat het mij gaf was een net iets schoner plafond.


Na anderhalf uur komen mijn twee celgenoten eindelijk terug. Ik stap even naar buiten en gebaar naar de bewaker dat ik hem wil spreken.

‘Sorry, maar is het mogelijk om een ander matras te krijgen? Dit exemplaar zit vol met vlooien.’ Ik sta op een zo groot mogelijke afstand van Karel en Sven en praat zo zacht mogelijk.

De bewaker luistert nauwelijks en is vooral niet blij met het feit dat ik uit mijn cel ben gestapt.

‘Ja, ja, ik ga naar binnen, maar kun je mij helpen?’ vraag ik.

‘Ja, komt goed. Vraag maar aan mijn collega als hij zo langskomt, mijn dienst zit er nu op.’

‘Wat is er aan de hand?’ vraagt Sven, terwijl hij zijn T-shirt uittrekt en begint met de tweehonderdvijftig push-ups die hij dagelijks uitvoert.

Ik heb ook geprobeerd om sportief te zijn, maar na de eerste push-up was ik al compleet uitgeput. Sven zei toen dat hij van me walgde en me een stomp wilde verkopen, maar dat ik te zwak was. Hij wilde niet nog langer moeten zitten, voor moord bijvoorbeeld.

‘Er is niets aan de hand, ik heb alleen gevraagd of we nog een extra zak ijs konden krijgen. Dan ga ik straks nog wat milkshakes maken, aangezien we toch niets eten.’

Sven kijkt in de ijscontainer en ziet dat die nog voor driekwart vol is.

‘We hebben nog genoeg ijs hoor, sufkut.’

Sven is een paar jaar jonger en ongeveer tien centimeter kleiner dan ik, maar hij onderhoudt wel iedere dag zijn spiermassa. Hij heeft blond haar en een boerse kaaskop. Een beroepscrimineel uit Limburg, die trots is dat hij bevriend was met de bende van Venlo.

Mijn andere celgenoot heet Karel. Een Surinaamse man die in Amsterdam woont, als hij niet vastzit. Ook Karel heeft het lichaam van een bodybuilder. Voor hij verslaafd raakte aan de pillen en koerier werd heeft hij bij allerlei clubs gewerkt als bouncer.

Het is belangrijk dat zij er niet achter komen dat ik vlooien in mijn bed heb. Dat kan ik nu echt niet gebruiken. Ik mag me niet vreemd gaan gedragen, want dan komen ze erachter dat mijn bed leeft. En dan krijg ik waarschijnlijk een pak slaag, wat ik duidelijk verdien omdat ik mijn leefomgeving heb verwaarloosd.


Het is tegen tien uur als overal het licht uitgaat en wij officieel moeten gaan slapen. Voor het eerst in een eeuwigheid heb ik geen zin om in mijn bed te gaan liggen. Dat is raar, want als slapen een Olympische sport zou zijn zou ik zeker goud winnen.

Ik moet wel in mijn bed gaan liggen omdat het anders te veel op zou vallen. Ik kruip er daarom zo normaal mogelijk in, ga zo normaal mogelijk liggen en let stiekem op iedere beweging die mijn celgenoten maken. Ze hebben gelukkig niets door. Ik wil ze welterusten wensen, maar aangezien ik dit nooit doe, doe ik het nu ook maar niet.

Had ik maar meer heroïne in mijn systeem, dan kon ik wat gemakkelijker in slaap vallen. Het is nu ook te laat om erom te bedelen. Ik heb mezelf trouwens beloofd dat nooit te doen, dus nu begin ik er ook niet aan.

Ieder halfuur mag ik een keertje omdraaien. Ik wou dat ik nog een horloge had, dan kon ik het goed bijhouden. Maar die is na twee dagen in Hotel California al gestolen. Ik weet echter wel hoe lang een halfuur is. Dat zijn achttienhonderd seconden. En aangezien je hart in rust ongeveer tachtig keer per minuut klopt, kun je daaraan afmeten hoe lang een halfuur is.

Bij de buren draaien ze de meest walgelijke muziek die er maar op deze planeet bestaat. Voor latin lovers. Ik weet niet wat ik het ergste vind: deze troep uit Zuid-Amerika, schlagers of palingpop. Allemaal gemaakt door simpele zielen voor simpele zielen met een armoedig emotioneel arsenaal.

Living la vida loca. Ik haat Ricky Martin. Welke zichzelf respecterende man draait zoiets voor zijn lol zonder dat hij een vrouw wil versieren of homo is? Ik kan mijn buren echt niet begrijpen. Hebben die idioten nooit van Radiohead gehoord, of van David Bowie? Echte muziek van mensen die daadwerkelijk iets te melden hebben.

Ik moet er ook voor zorgen dat ik niet te veel aan mijn lichaam krab, want dat zou ook argwaan kunnen opwekken. Een beetje mag wel, maar niet te veel. Morgenochtend, als iedereen naar buiten gaat, regel ik gelijk een nieuw matras. Nu moet ik het leven onder mij tolereren en negeren.

Heel zachtjes ga ik met mijn hand naar mijn linkerbeen en begin mijn dij te aaien. Eerst wrijf ik met mijn vingertoppen over het maagdelijke, witte, zachte vlees en geef mijzelf een lichte massage. Hierna duw ik mijn nagels zachtjes in mijn huid en zorg ervoor dat ik diep genoeg ga zonder dat ik mezelf te veel pijn doe. Ah, wat voelt dat goed, zeg. Er gaan rillingen door mijn lichaam en ik verlang nu al naar het volgende moment dat ik het mijzelf gun dit weer te doen. Nog tien extra seconden. Dit keer ga ik nog dieper met mijn nagels mijn huid in. Wat maakt het uit. Je leeft toch maar één keer. En als er bloed bij vrijkomt trek ik morgen een lange broek aan.

Ik kruip onder de dekens. Niet omdat ik het koud heb, maar omdat anders ook de muggen me compleet zullen leegzuigen. Tussen het gesnurk van Karel door hoor ik ze rond mijn hoofd vliegen.

Nog nooit in mijn eenzame leven was ik zo geliefd als dit moment. Van boven willen ze me penetreren en van onder willen ze in me kruipen.



‘What the fuck is er met jouw lichaam aan de hand?’ Sven staart me aan. Karel probeert zo ver mogelijk bij me vandaan te blijven.

Dat is zo goed als onmogelijk in een cel die je nog het beste kunt vergelijken met een hok in een dierenasiel. Wij zitten hier met drie personen in plaats van één hond. Er is maar één manier om daar goed mee om te gaan en dat is door alles schoon en strak te houden. Je kleding en de rest van je spullen moeten geordend in je locker liggen en troep moet zo snel mogelijk opgeruimd worden, want op een tropisch eiland rotten dingen snel. Het helpt ook niet dat er naast de gevangenis een vuilnisbelt ligt.

Maar ik heb nooit geleerd om mijn kleding mooi op te vouwen. Als je het van een afstandje in een hoekje kan gooien is het voor mij ook goed. En ieder oppervlak is goed genoeg voor mij om wat dan ook op neer te leggen. Dit zorgt er wel voor dat ik de helft van de tijd alles kwijt ben, maar dat geeft me dan weer een mooie invulling van de dag.

Op mijn eerste dag in Hotel California werd ik al gewaarschuwd vanwege mijn laksheid. Je zou er strak en gedisciplineerd moeten zijn. Fuck dat, ik ben niet in de bak terechtgekomen om ooit nog ergens moeite voor te gaan doen. Vooral niet voor dingen die ik daarbuiten toch al niet deed.

De cipiers hebben nog steeds niets aan mijn matras gedaan. Ik ben de laatste twee dagen niet naar buiten gegaan tijdens het luchten. Sven en Karel dachten waarschijnlijk dat ik daar te depressief voor was. In de tijd dat zij weg waren heb ik echter geprobeerd mijn bed schoon te maken. Eerst met water en zeep. Daarna heb ik gepoogd de beestjes eruit te schudden. Dat lukte gedeeltelijk en iedere keer was ik ervan overtuigd dat ik de situatie onder controle had. Tot ik ging slapen en ik ze weer onder me voelde bewegen.


Nu staren mijn celgenoten naar mijn halfnaakte lichaam. Dat ik mezelf helemaal kapot gekrast heb begrijpen ze wel, dat komt door de slechte heroïne. Maar wat zijn die rode stippen die ze overal zien? Het zou toch niet besmettelijk zijn?

‘Nee, het is geen besmettelijke ziekte, het zijn vlooien, ze zitten in mijn bed.’ Ik hoopte dat ze door deze verklaring iets rustiger zouden worden, maar dat gebeurt niet.

‘Als jij niets gaat doen, dan doen wij het,’ zegt Sven. ‘Niet alleen jij hebt er nu last van, hè? Die beesten kunnen zo van één bed op het andere springen. Doe wat, nu! Dit moet nu ophouden.’

‘Oké, oké, ik ga er wat aan doen. Zodra we naar buiten mogen neem ik mijn matras mee en scheur ik het doormidden.’


De cipier doet de deur open en loopt verder naar de volgende cel. Ik kijk hoe mijn celgenoten naar buiten lopen, stap dan uit mijn bed en haal razendsnel de hoes van mijn matras, kijk om me heen om te zien of de cipier me in de gaten heeft, loop naar buiten – en hoewel ik totaal niet gewelddadig ben aangelegd weet ik dat ik ga genieten van wat ik nu ga doen. Ik weet dat ik de baas ben over de situatie en dat er hoe dan ook verandering in gaat komen.

Ik bedenk me dat ik hem direct doormidden moet scheuren. Dat kan niet moeilijk zijn: dit moet wel het goedkoopste materiaal zijn dat ze hebben kunnen vinden om een matras van te maken. Met alle kracht die mijn spierloze lichaam bezit trek ik het in twee stukken. Het gaat zo gemakkelijk dat ik de rest ook nog verscheur. Daarna ga ik op de grond zitten.

Voor even maakt het mij allemaal niets meer uit. Ik ben nu de baas. Ik zit hier in de gang tussen tien cellen waarvan de deuren open staan. Ik heb mijn draagbare cd-speler erbij gepakt en luister naar ‘Tommy’ van The Who. See me, feel me, touch me, heal me. The song about the deaf, dumb, blind boy who was a pinball wizard.

Ik ben de baas en heb een besluit genomen. Ik wil vanaf nu slapen op een bed zonder hotel voor bloedzuigende micro-organismen, waar ik dien als restaurant en hoofdmenu.


Na tien minuten komt er een bewaker naar me toe en kijkt me vol verbazing aan.

‘Wat heb je gedaan?’

’Ik ben het beu, ik zit al dagen met een matras vol vlooien, mijn celgenoten zijn megabang dat zij er ook last van krijgen en jullie doen er de hele tijd niets aan. Zo kan het gewoon niet doorgaan.’

‘Oké, kom maar met mij mee.’ De cipier beseft ook wel dat ik niet zonder matras terug mijn cel in kan. Of misschien geeft hij er niets om en wil hij gewoon iets anders te doen hebben. En daarom gaan we op expeditie naar een nieuw matras voor mij.

Ik loop langs een cel die is afgeschermd met doeken. Bij de meeste cellen kun je door de tralies heen naar binnen kijken en krijg je meestal een vriendelijk gebaar als je langskomt. Niet hier. Hier hangt iets duisters omheen. Ik heb al aan een paar mede-bajesklanten gevraagd wie daar zit en kreeg van iedereen een ander verhaal. De ene denkt dat er een voodoo-dokter uit Haïti in zit en de ander zegt weer dat er een maffiabaas kantoor houdt. Ik geloof het allemaal natuurlijk niet, maar nu heb ik de kans om het te vragen aan iemand die er werkelijk verstand van heeft. De bewaker onthult dat het de verblijfplaats is van een Jamaicaan die al zeker vier jaar zijn cel niet verlaten heeft. Hij heeft iemand vermoord en is bang dat iemand wraak komt nemen.

Terwijl we verder in het kruisvormige gebouw afdalen ruik ik overal een penetrante wietgeur. Ik verbaas me hier altijd over, omdat drugs klaarblijkelijk verboden zijn. Men geeft er dus niet om dat er gerookt wordt. Zolang je maar geen joint voor een bewaker opsteekt is het goed, denk ik. De helft van de gevangenen is sowieso familie van het personeel hier. Ik neem aan dat er via hen veel naar binnen wordt gesmokkeld.

We lopen met de trap naar beneden en ik kom erachter dat ik mijn discman ben vergeten bij het doormidden gescheurde matras. Ik was zo blij dat ik een nieuw matras kreeg dat ik alles achterliet wat ik bij me had. Mijn ouders hebben zo hun best gedaan om hem naar mij op te sturen, het heeft een eeuwigheid geduurd voor ik hem had en nu, na een week, ben ik hem zo goed als zeker weer kwijt.

We lopen naar buiten. Het is bloedheet. Vandaag staat er geen wind die me even kan afkoelen en dat voelt aan als een straf. Iedere stap kost moeite en ik kan mijn benen bijna niet optillen. Het ontbreken van vast voedsel in mijn lichaam en een constant dieet van heroïne zorgen ervoor dat ik bij iedere stap twijfel of ik de volgende wel haal.

Het depot ligt op ongeveer tweehonderd meter van mijn verblijf. Heb ik hier dagen op moeten wachten, voor moeten bedelen en vechten? Dit had allemaal in tien minuten opgelost kunnen worden. Nee, ze laten mij liever wegrotten in mijn cel dan dat ze de kleinste moeite voor me willen doen. De hitte zorgt er waarschijnlijk ook voor dat zij alleen het broodnodige en minimale willen doen om een salaris te krijgen en een stomme macamba helpen heeft daarbij absoluut geen prioriteit.

Ik ben dit nietszeggende gebouw al zeker tien keer voorbijgelopen zonder dat ik wist wat erin zat. Ik heb ook nooit de behoefte om door een raam naar binnen te kijken, omdat alles er hier vooral functioneel kaal en nietszeggend uit moet zien, met hier en daar een toefje prikkeldraad en wat antennes.

Terwijl de bewaker de deur opendoet kijk ik naar binnen, en ik zie in een donker hok tientallen matrassen netjes opgestapeld liggen, klaar om gebruikt te worden.

Ik moet mee naar binnen en even ben ik bang dat ik verkracht ga worden. Dan besef ik dat de cipier door zijn dikke buik waarschijnlijk zijn eigen lul niet kan zien. En bovendien zou het niet lang kunnen duren, want hij heeft net als ik totaal geen conditie.

In plaats van een kortstondig passioneel samenzijn mag ik een nieuw matras uitkiezen. Het is zelfs nog ingepakt. Op deze heeft dus geen verkrachter, moordenaar of pedofiel gelegen.


Met mijn nieuwe matras onder mijn arm loop ik zo snel mogelijk terug naar waar ik het oude heb achtergelaten. Ik word echter opgehouden door de cipier, die alles op zijn gemakje doet.

Ik heb nog helemaal niet naar alle muziek geluisterd die ik bij me had. Ik hoop met alles wat ik in me heb dat de discman er nog is en ik baal van mezelf. Hoe kan ik zo dom zijn om de enige bron van vermaak in mijn leven onbeschermd achter te laten, tussen allemaal junkies en andere aasgieren die alles aangrijpen om wat dan ook van wie dan ook te stelen om maar een volgende fix te kunnen regelen! Misschien is er nog hoop. Ik heb maanden op dat ding zitten wachten terwijl ik alleen in mijn hoofd naar mijn favoriete bands kon luisteren. Without music life would be a mistake.

Zodra de deur naar mijn cellenblok is opengedaan loop ik naar de plaats delict en zie dat hij er inderdaad niet meer ligt. Er bestaat dus toch geen God. Of als hij bestaat, haat hij mij met een voor ons stervelingen ongekende intensiteit. Hij geeft en neemt en heeft schijt aan wat jij erbij voelt of ervan vindt.

Ik besluit niet lang te treuren, want dit is typisch voor mijn lot. Het zou pas bijzonder zijn geweest als hij er nog lag. Maar vandaag heb ik iets goeds gedaan. Ik kies ervoor daar al mijn aandacht op te richten.


Trots loop ik mijn cel binnen.

‘Kijk wat ik heb.’

‘Kijk, kijk, kijk. Je kan dus toch iets goed doen,’ zegt Sven. ‘Leg dat op je bed en kom dan hier, dan roken we wat, omdat je zo goed bezig bent.’

 

Trivo Marjanovic (1974) is een schilder, muzikant en schrijver uit Vlissingen, geboren in Oost-Souburg. Hij komt uit Bosnië en Herzegovina en zijn moeder is een echte Zeeuwse. Zijn inspiratie haalt hij onder andere uit Charles Bukowski en Sylvia Plath, maar ook uit films zoals The Big Lebowski en Being John Malkovich. Vooral het perspectief van de underdog vindt hij interessant en belicht hij graag in zijn werk.

107 weergaven

Comments


bottom of page