Niets persoonlijks

Bijgewerkt op: 2 jun.

Ilse Josepha Lazaroms


Beluister hier hoe Ilse haar eigen Mammoetje voorleest:


Hou je persoonlijke situatie erbuiten, zegt de universiteit.

Het is december, het tweede jaar van de pandemie, de winter komt eraan. Er is net een nieuwe lockdown aangekondigd, de derde sinds maart 2020. Morgenochtend – een zondag – gaat alles om 17:00 uur dicht, behalve de supermarkten, de apotheken en wat andere ‘essentiële’ winkels. Weer een maand van stil verdriet achter donkere raampjes, van coronazieken en uitgestelde levens. Weer een maand zonder school voor mijn dochter van zes, zonder opvang en zonder sociaal vangnet om op te kunnen rekenen, omdat het andere mensen ziek kan maken. Een maand van isolatie en ingeslikte wanhoop, waarin ik krampachtig mijn zegeningen blijf tellen, maar waarin desondanks de muren van mijn kleine huisje op me afkomen; en op mijn dochter. Waarin ik voor de tweede keer in twee jaar met ziekteverlof ben, deze keer op het urgente verzoek van mijn huisarts. Je zit tegen een burn-out aan, zei ze. Als je nu niet ophoudt, stort je over een tijdje onherroepelijk in en doe je je lichaam onherstelbare schade aan. In haar felverlichte spreekruimte prikte ze nuchter door mijn façade heen: mijn kalme, professionele buitenkant die me al zo lang door allerlei situaties loodst om vervolgens, thuis, in mijn eentje, in te storten. Met het recept voor slaappillen, vitamines, voedingssupplementen, dagelijkse wandelingen en minimaal twaalf weken GEEN WERK stond ik een klein uur later weer buiten. Ze had de tijd voor me genomen. De tijd. In deze tijd. Als er iets is waarvoor ik haar dankbaar ben, dan is het wel haar tijd. En haar scherpe blik.

Hou je persoonlijke situatie erbuiten, zegt de universiteit. Pas geleden verscheen er een rapport over de invloed van de eerste lockdownperiode op het welzijn en de carrière van wetenschappers in Nederland[1]. Het is een moedeloos relaas, en niet alleen omdat Nederland sowieso al onderaan de lijst bungelt als het gaat om het percentage vrouwelijke hoogleraren in Europa (een schamele 25,7%)[2]. Want wie worden het hardst getroffen door de pandemie? Vrouwelijke onderzoekers, zonder vast contract, met jonge kinderen. Dit zijn de mensen die het meest hebben moeten inleveren op hun tijd, energie, en ‘productiviteit’. En dus ook op hun toekomstperspectief, die innig gewilde vaste baan. Moeders met precaire contracten vormen de braindrain die op dit moment plaatsvindt aan de Nederlandse universiteiten. Het brein van de universiteit lekt, het loopt leeg. Een specifiek vrouwelijk deel van dat brein. Niet omdat vrouwen niet kundig of betrokken zouden zijn – je moet echt van je vak houden om het zo ver te schoppen – maar omdat er iets radicaal mis is met de manier waarop we ons hoger onderwijs hebben georganiseerd. Omdat te veel mensen te lang structureel overvraagd worden (lees: uitgebuit) op tijdelijke contracten zonder toekomstperspectief, om daarna uitgeknepen en hondsmoe op straat te worden gezet. Omdat er binnen de universiteit nog altijd het idee bestaat dat je de werkende mens kunt scheiden van haar persoonlijke leven, een leven dat hoe dan ook buiten de muren van het kennisinstituut moet worden gehouden. Het idee dat een leven de wetenschap alleen maar in de weg staat, en dat menselijkheid – zeker als die zich vertaalt naar het krijgen van een kind – een funest obstakel vormt in de ratrace naar een vaste baan.

In het rapport, uitgevoerd door De Jonge Akademie en het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, in samenwerking met de Universiteiten van Nederland, staan ook nog een paar aanbevelingen. Een van die aanbevelingen is ‘maatwerk’. Wat zoveel wil zeggen als: pas niet op iedereen dezelfde eisen toe. Wees flexibel. Pas de roosters aan. Denk mee. Er zit een echt mens achter dat contract. Achter die uren.


Meer vastigheid dan ik ooit had gehad

Hou je persoonlijke situatie erbuiten, zegt de universiteit. Maar: ík ben die wetenschapper, die vrouw met een kind en een precair contract. Waar bovengenoemd onderzoek over de invloed van de eerste lockdownperiode nog uitgaat van een ‘twee-oudernorm’ – de aanname dat ieder kind twee aanwezige ouders heeft – zijn mijn dochter en ik een eenoudergezin. Ik ben een solo parent met een PhD, inmiddels elf jaar geleden gepromoveerd aan het Europees Universitair Instituut in Florence, met een lang traject aan postdocs achter me. Heerlijk vond ik het, de tijd en de vrijheid om me in nieuwe steden te verliezen in archieven en bibliotheken. Ook mijn dochter, toen zij onderweg geboren werd, nam ik mee op dit traject – naar New York en Boedapest en Boston – en omdat het fellowships waren, geen banen, kon ik het nog net zo plooien dat het ging. Maar kinderen gaan naar school en ik wil mijn kind graag een thuis geven. Een plek om op te groeien en zich te hechten: zowel aan de plek als aan de mensen die er wonen. Ik wil het in ieder geval proberen.

Toen een collega me vertelde over de vacature voor een assistant professorship in Genderstudies aan de Universiteit Utrecht, waar ik ooit mijn master in Taal- en Cultuurstudies behaalde, specialisatie Vrouwenstudies, dacht ik: ja, dit is het. Ik keer terug naar mijn academisch beginpunt. Dit klopt, hier voel ik me goed bij. Toen de baan na een paar rondes ging naar degene voor wie zij bestemd was – ze was intern al vergeven – en ik een ander aanbod kreeg – het beruchte docentencontract van vier jaar, 0,7 fte (28 uur), geen onderzoekstijd en geen mogelijkheid tot verlenging – huilde ik van opluchting. Vier jaar! Dit was meer vastigheid dan ik ooit had gehad.

Ik kwam net terug van een fellowship aan Harvard. Het waren de beginmaanden van de pandemie en de scholen waren nog steeds gesloten. Ik wist dat het moeilijk zou worden, dat mijn baan structureel overwerk zou betekenen. Maar, dacht ik, ik draai al te lang mee om mijn mond te houden. Ik zal me niet laten uitbuiten door mijn alma mater. Want hoeveel alleenstaande moeders met een academische baan kende ik eigenlijk?


EXODUS II, door Mona Hatoum, 2002. Institute of Contemporary Art, Boston, MA, VS.

Een bolletje woede

Het duurde even voordat ik mijn moederschap had omarmd. De beperkingen die het creëert, de regelmaat die het eist, het ritme dat zich ontvouwt rondom je kind. Ik had al die tijd mijn intellect gevolgd, me nergens echt geworteld. Ik was nog steeds wetenschapper, schrijver, nomade – en nu ook moeder. Ik dacht: ik ga dit op mijn manier doen. Juist daarom moet ik me uitspreken. Ik heb letterlijk te veel van de wereld gezien om dit niet te doen. Vanuit een relatief geprivilegieerde positie – wat een baan aan de universiteit, ook een tijdelijke, toch is – wilde ik de ongelijkheid in het systeem aankaarten, politiek maken. Ik nam me voor om er een onderzoeksthema van te maken. Een NWO-aanvraag! Een project dat theoretische en literaire bespiegelingen over moederschap vermengt met het persoonlijke en het politieke, dat een gelijkwaardiger bestaan zal bepleiten voor academici die ook moeder zijn! Ja, dacht ik, dat ga ik doen!

Ik ging in gesprek. Met collega’s. Met mijn leidinggevende. Mijn professor. Met de onderwijsdirecteur. Met hr. Vooral met hr. Zij gaan over de salarisinschaling van inkomende wetenschappers, getraind als ze zijn in het ontcijferen van zeer complexe academische cv’s; zij checken of iedereen z’n taken wel volgens de regels uitvoert. Zij gaan over personen, maar hun werk is allesbehalve persoonlijk. Het begon klein: met mijn lestijden. Ik wilde hr overtuigen van het toch wel logische feit dat ze, met mijn aanstelling van 28 uur, geen claim konden leggen op honderd procent van mijn tijd. Dat ze me dus niet ieder blok op wisselende dagen konden inroosteren, want ik kon de opvang voor mijn dochter er niet op aanpassen. Met 28 uur werk had ik recht op drie dagen gesubsidieerde opvang. Eventuele extra dagen zou ik zelf moeten betalen. Ik moest toch niet voor niets een werkrooster invullen?

We maakten afspraken. We mailden. Hadden overleg. Hr kwam met een – naar hun idee – schappelijke oplossing. We zullen een uitzondering voor je maken, zeiden ze, we zullen je niet in de avonduren inroosteren en ook alleen op de dagen van je werkrooster. Ik antwoordde dat ik dit niet alleen voor mezelf deed, maar ook voor anderen die niet in het mannelijke voltijdsplaatje pasten. Dat dit werk toegankelijk zou moeten zijn voor iedereen die een zorgtaak heeft, voor mensen met beperkingen – fysiek of mentaal – op hun tijd, energie en flexibiliteit. Een carrière in de wetenschap zou daar niet van mogen afhangen. Jaja, zeiden ze, maar we willen geen precedent scheppen. Straks komt iedereen met verzoeken. Kwesties. Persoonlijke zaken.

Persoonlijke zaken. Personeelszaken. Dit is toch precies wat jullie doen?! Ik wilde het uitschreeuwen. Maar in plaats daarvan slikte ik iets in. Een bolletje woede. Een groeiend gevoel van onmacht.